Bibliotheek voeding en gezondheid

Kenniscentrum – Bibliotheek voeding en gezondheid

Wij willen bij CarniVoer een grote bijdrage leveren aan de gezondheid van honden en katten.
Voeding is een belangrijk onderdeel van gezondheid. Maar door alleen goede voeding te geven kan je gezondheid niet afdwingen.

Gezondheid is niet te koop. Goede voeding, van CarniVoer, is wel te koop.
Goede beweging aan je dier geven is gratis.
En onze artikelen op deze website zijn ook gratis.

Met deze drie dingen bieden wij je de mogelijkheid om je dier(en) zo gezond mogelijk te krijgen en te houden. En dat je zo min mogelijk een dierenarts nodig hebt.





 

De voeding van CarniVoer heeft een juiste calcium-fosfor verhouding.

Calcium fosfor metabolisme is een complex mechanisme in het lichaam van de hond en de kat. In dit mechanisme zijn vele organen en enzymen betrokken met zeer veel interacties met elkaar. Onze dierenarts zal dit mechanisme op een zo eenvoudig mogelijke manier beschrijven in relatie tot voeding.
Vooraf moet gesteld worden dat het niet de volledige informatie kan bevatten en het zal op sommige punten ingewikkeld kunnen zijn. We willen je graag begrijpbare informatie geven zodat je een (beter) beeld  kan vormen over dit mechanisme.

Calcium en fosfor zijn twee belangrijke mineralen in het lichaam. 

De functie van calcium zijn o.a.:

  • Beenderen en tanden
  • Cel potentiaal
  • Zenuw functies
  • Co-factor bij enzymatische processen
  • Bloedstolling
  • Spiercontracties

De functie van fosfor  zijn o.a.:

  • Beenderen en tanden
  • DNA en RNA (erfelijk materiaal)
  • Celmembranen
  • Vetvertering
  • Energie in de vorm van ATP en Creatinefosfaat
  • Buffer van het bloed.

In het bot komt calcium voor als calciumhydroxyapatiet. ( Ca10 (PO4)6(OH)2. 

In het plasma komt calcium als volgt voor:
– 45 % Ca2+  ion als actieve vorm
– 45 % is albumine gebonden (inactief)
– 10% is als complexe structuur aanwezig als bijvoorbeeld calciumnitraat (inactief)

Fosfaten zijn veelal gebonden aan allerlei eiwitten en vetten en inactief.  Enkel HPO42-  en H2PO4  zijn fysiologisch actief.

Wat is nu het normale metabolisme van calcium en fosfor. Hoe regelt het lichaam de opname en het bewaren van het evenwicht van beide in het lichaam.

In onderstaand schema 1 zie je een overzicht van de regulerende mechanismen van calcium en fosfor in een lichaam.
Calcium en fosfor worden opgenomen via het maag darm stelsel. Vitamine D3 (calcitriol) stimuleert dit proces.
Vanuit het bloed migreren calcium en fosfor naar de beenderen. Dit proces kan worden geremd door parathyroidhormoon ( PTH).  PTH wordt geproduceerd en afgescheiden door de hoofdcellen van de parathyroid. Dit is een klier in de schildklier.
PTH en vitamine D3 stimuleren de vrijstelling van calcium en fosfor uit het bot. Calcitonine is een hormoon afgescheiden door de parafolliculaire cellen van de schildklier. Calcitonine remt de calcium en fosfor vrijstelling uit het bot. Calcium en fosfaat worden door de nieren uitgescheiden in de urine. PTH remt fosfaat heropname en stimuleert calcium heropname. Calcitriol stimuleert beide op te nemen vanuit de urine naar het bloed.

  • De rode pijlen zijn remmende factoren
    De groene pijlen zijn stimulerende factoren
  • Verder zijn er ook nogvele  interacties met andere mineralen. Een voorbeeld is dat een te laag magnesium in het lichaam het hormoon PTH verminderd in werkzaamheid.

SCHEMA 1

Het calcium fosfaat metabolisme is dus een enorm fijn gevoelig en gereguleerd mechanisme. Evolutionair is in dit schema ook het belang van het homeostatisch evenwicht te zien. Veel mechanismen zorgen ervoor dat het bijna niet fout kan gaan.

 

Nu volgt een stuk over de vitamine D productie. Vitamine D is een belangrijk hormoon in de calcium fosfor balans.

Zie schema 2
Het actieve vitamine D wordt gemaakt of vanuit de voeding of vanuit zonlicht. Honden en katten zijn zeer slecht in staat om uit zonlicht vitamine D te produceren. Ook de naaktkatten en naakthonden.
Enzymen (groene pijlen) vanuit de lever en de nier zorgen voor de verdere stappen naar de actieve vorm.

Zo is het gehele calcium metabolisme ook afhankelijk van een goed functionerende nier, lever, correcte voeding en zonlicht.

SCHEMA 2 

Nu de processen van opname en regulering van calcium en fosfor besproken hebbende blijft de vraag over wat nu de juiste doseringen in voeding zijn. Vele onderzoeken zijn gedaan bij pups, kitten en volwassen dieren aangaande de optimale opname. Het gaat niet alleen om de hoeveelheid calcium en fosfor wat in voeding zit maar ook belangrijke factoren zoals hoe goed zit het dier in elkaar (nier en lever functie), waar leeft het dier en welk soorten voeding krijgt het te eten?

Het lichaam van de hond en kat heeft een enorme reserve van deze twee mineralen in het skelet. Het in stand houden van het evenwicht van calcium en fosfor gebeurt door vele mechanismen. Hormonen die hiermee te maken hebben zijn parathyroid hormoon, calcitonine en vitamine D3 . De organen waarin deze hormonen geproduceerd worden moeten correct functioneren. Doen ze dit niet dan zal de calcium fosfor regulering tekort schieten. Organen die dit doen zijn de lever, de nier en de bijschildklieren.

Op welke manier moeten calcium en fosfor nu in de voeding zitten.
Uiteraard moeten calcium en fosfor in een voor het lichaam herkenbare manier in het voedsel zitten. Het maakt een groot verschil of calcium in de vorm van calciumcarbonaat, calciumoxide of calciumhydroxyapatiet in de voeding zit. Hetzelfde verhaal geldt voor fosfor. Beide zullen in een evolutionaire manier moeten voorkomen in de voeding.

Naast het evolutionair voorkomen in de voeding als calciumhydroxyapatiet, kunnen allerlei andere opname storende factoren aanwezig zijn. Stoffen als fytaten binden calcium waardoor de opname van calcium niet kan plaatsvinden. De hoeveelheid calcium in de voeding kan correct zijn maar de opname vindt dan niet plaats. Fytaten komen voor in alle granen, bonen en erwten.

Een tekort aan magnesium brengt de calcium opname in gevaar. Zo zijn er meer interacties tussen voedingscomponenten onderling. Hoe meer voeding lijkt op de prooidieren die honden en katten hebben gegeten des te beter zullen calcium en fosfor benut kunnen worden.

Ook de hoeveelheid calcium en fosfor die al in de hond en kat zitten bepalen of het nog wel opgenomen gaat worden vanuit de darm. Immers als de hond en kat voldoende hebben ook in hun reserves, wordt het niet meer opgenomen uit het voedsel.

De ideale verhouding van calcium en fosfor in de voeding bestaat niet. In de natuur is voeding in dezelfde hoeveelheden en verhoudingen niet elke dag beschikbaar. Dat is de reden dat het lichaam van de hond en kat een fantastisch mechanisme heeft om de balans van calcium en fosfor in stand te houden. Anders had de evolutie dat systeem er allang uitgehaald.

Tegenwoordig willen we (helaas) onze hond en kat iedere dag een “gebalanceerd” dieet geven. De calcium fosfor verhouding wordt dan wat belangrijker maar niet idealer. De optimale verhouding calcium staat tot fosfor in het bloed wordt beschouwd als 1 staat tot 1,2. Naast de verhouding is de geleverde energie in de voeding ook van belang. Immers als de hond en kat enkel calcium en fosfor poeder zouden eten wordt het niet opgenomen door de darm. Pups en kittens hebben in hun groei een hogere behoefte aan energie, calcium en fosfor. Door de maaltijd frequentie te verhogen krijgen ze èn meer energie èn is de beschikbaarheid hoger.

De door de Association of American Feed Control Officials (AAFCO) gepubliceerde voedingsrichtlijnen, die uiteindelijk in 2016 werden aangepast aan de laatste NRC-aanbevelingen, verhoogden dit tot 1,25 mg calcium/kcal.

Samengevat is de opname en regulering van calcium en fosfor afhankelijk van:

  • De vorm waarin het beschikbaar is in de voeding
  • De werking van organen als nieren, lever en bijschildklier
  • De hoeveelheden die al in de hond en kat zitten
  • De energie in de voeding
  • Storende nutriënten als fytaten
  • Tekorten in andere mineralen zoals magnesium
  • Volwassen- of jonge dieren
  • Activiteitsniveau van het dier
  • Medicijn gebruik

Uiteraard kan de calcium en fosfor balans uit de pas gaan lopen en problemen veroorzaken. Dat kan pas gebeuren na een langere periode en niet in een week. Het is ondanks deze uitleg wel van belang dat rauwe voeding een goede verhouding calcium fosfor bevat. 

De meest optimale vorm van calcium om goed opgenomen te worden in het lichaam is de natuurlijke vorm van calcium: calcium hydroxyapatiet. Dit zit in CarniVoer!

Met de dierenkliniek hebben wij de meest optimale controle. Immers vinden daar bijna dagelijks bloedonderzoeken plaats bij honden en katten.

Veel van deze dieren worden met CarniVoer gevoerd. Zou CarniVoer een verstoorde calcium fosfor verhouding geven bij honden en katten dan zouden wij dat als eerste opmerken in de dierenkliniek.

Wij werken niet alleen achter een bureau, wij staan midden in de dierenartsenpraktijk met eigen laboratorium mogelijkheden! Dit maakt ons bedrijf uniek.

 

Voeding is een medicijn

 

Voeding voor dieren (ook voor jezelf) is van belang voor de juiste nutriënten. Nutriënten als de micro- en macro mineralen, eiwitten, vetten en koolhydraten. Deze stoffen zijn belangrijk voor de functie, de opbouw en herstel van het lichaam. 

Voeding is niet enkel nutritie, voeding is ook informatie. Informatie voor een cel. De cel moet op het juiste moment de juiste informatie van voeding krijgen. Pas dan doet voeding wat het moet doen en functioneert de cel optimaal.

Op het juiste moment eten (zie ook intermittent fasting) is van belang naast de energetische waarde van voeding. Hiermee bedoel ik niet de calorieën. Voeding heeft ook energie (frequentie) die overgedragen wordt op de cel. Bijvoorbeeld als je in de zomer een ijsje eet of een meloen dan koel je af. In de winter een warme chocomel of een gemberthee dan warm je op. Zo kun je met voeding processen en bloed en lymfe aansturen of afremmen.

Brokken zijn droog en door de hoge verhitting “dood” Zoals hierboven beschreven is voeding meer dan alleen meetbare nutriënten. Dat aspect wordt helaas te vaak vergeten.
Met droge brokvoeding is de kans groot dat deze voeding de cellen van je dier uitdroogd en het geeft ook weinig “leven” aan de cellen. Je dier het gehele leven dezelfde brokvoeding geven is je dier het plezier van goede voeding ontnemen. Zelf eten we ook niet ons gehele leven hetzelfde toch…?

Een gezond lichaam is een mooi “zelfgenezende” machine. Als je dier chronisch ziek wordt, is het zelfgenezend vermogen van je dier geblokkeerd geraakt. Je dier zal niet meer, goed, in staat zijn zichzelf van een beschadiging te herstellen en zo kan een chronische ziekte ontstaan. 

Waar kan je dan aan denken?

  • Overgewicht
  • niesziekte
  • blaasgruis
  • artrose
  • hartklachten
  • spondylose
  • overmatige jeuk aan de huid
  • chronische maag-darm klachten
  • chronische oorklachten
  • veel gras eten
  • obstipatie
  • huidschilfers
  • hondengeur
  • staar
  • Cushing
  • Addison
  • hypothyroïdie
  • en zelfs kanker

Een zeer groot deel van de consulten bij een dierenarts bestaan uit chronische klachten. Wij zijn overtuigd dat veel van deze klachten voorkomen hadden kunnen worden. Dat kan met onze voeding en ondersteuning van de producten uit onze fyto-supplementen lijn.
Je kan hier meer lezen over kruiden.

Voeding heeft dus drie eigenschappen:

  • Nutritionele waarde
  • Calorische waarde
  • Energetische waarde

Gebruik voeding als een medicijn. Zo heeft je dier een fitter leven en jij meer plezier van je dier.

Samengevat zal de juiste voeding op het juiste moment, voldoende beweging en rust en veel leuke dingen doen leiden tot een fit en gezond leven voor je dier.  Maar ook voor jezelf 😉 

Honden en katten vallen in de categorie roofdieren. Ze zijn geëvolueerd door het eten van een prooidieren en nog belangrijker, dus het eten van rauw voeding. Koken tast de voedingsstoffen in vlees aan, waardoor vitaminen, mineralen en aminozuren verloren gaan. Brok en blikvoeding hebben hoge temperaturen doorstaan. De verloren gegane voedingsstoffen moeten weer worden toegevoegd. Deze aanvulling is niet exact. Er is verlies van voedingsstoffen die niet altijd worden vervangen. Katten en honden in het wild eten vaak de hele prooidier als het klein is en eten bijna alles behalve de ingewanden van een groter prooidier.

De eetbare botten zijn zeer goed verteerbaar en is hun primaire bron van calcium. Meer info klik hier.  Gekookt bot vermindert de beschikbare voedingsstoffen en veranderd qua structuur naar hard waardoor het een gevaarlijk wordt om op te eten. Gekookte of gebakken botten moet je nooit aan je hond en kat geven.
Een mooi voorbeeld hoe dit kan is het koken van een ei. Een ongekookt, rauw, ei is zacht. Door het koken onstaan er verbindingen waardoor het ei hard en stevig wordt. Bij botten die verhit worden gebeurd hetzelfde, er ontstaan verbindingen die het bot te hard maken.

Je hond en kat voorzien van een correct dieet dat is gebaseerd op wat ze in het wild zouden eten, heeft veel voordelen, zowel voor jezelf als voor je hond en kat:

  •  Verbeterde spijsvertering
  • Sterk gereduceerde ontlasting in volume en geur.
  • Gezonde vacht, minder schilfers en minder haar verlies bij je kat en hond.
  • Meer energie
  • Gewichtsverlies, bij overgewicht
  • Betere spieropbouw
  • Betere tandheelkundige gezondheid
  • Betere gezondheid van de urinewegen

 

Verbeterde Spijsvertering

Je kat is een verplichte vleeseters, ze moeten vlees eten. Er zijn geen veganistische katten die gedijen. Hun spijsverteringssysteem is specifiek aangepast op een rauw vlees dieet. Het spijsverteringskanaal van je kat is kort en zuur en verwerkt in ongeveer 12 uur tijd zeer efficiënt rauwe voeding die geschikt is voor haar of hem. Dit geeft zeer weinig tijd voor bacteriën om zich te vermenigvuldigen bovendien doodt de zeer zure maag veel bacteriën zodat katten van nature bestand zijn tegen de bacteriën in de rauwe voeding. Deze bacteriën hebben ze ook broodnodig om hun microbioom in de darm op peil te houden. Hetzelfde geldt voor je hond enkel dat je hond geen obligate vleeseter is.

Je kat heeft geen behoefte aan koolhydraten en hebben een beperkt vermogen om ze te verteren. CarniVoer (bevat geen koolhydraten zoals rijst) is beter verteerbaar dan een dieet van plantaardige voeding zoals brokken. Je kat is slecht in het verteren van koolhydraten, vooral geraffineerde koolhydraten zoals in brokvoeding voorkomt. Ze hebben vrijwel geen enzymen hiervoor. Meer informatie over deze enzymen klik hier. In tegenstelling tot je hond en jezelf. Wel opgemerkt dat het weinig en ongeraffineerde koolhydraten moeten zijn.

 

Verbeterde stoelgang

Wanneer je hond en kat CarniVoer krijgen, verteren hun lichamen het grootste deel van CarniVoer, met veel minder ontlasting tot gevolg. De productie van ontlasting kan worden gehalveerd. Ze ontlasten ook minder vaak, soms één keer per dag of zelfs minder. Hun ontlasting is vaak droog, een beetje kruimelig en ruikt nauwelijks.
In het wild is het achterlaten van weinig riekende ontlasting  zinvol voor een roofdier. Zeker bij kleine roofdieren is het niet handig om zich zorgen te moeten maken over het feit dat er op hen kan worden gejaagd. Een roofdier zou niet te veel stinkende “advertenties” van zijn aanwezigheid willen achterlaten. Als de prooi dit ook ruikt vangen ze niets meer…..

Wanneer je hond en kat brokvoeding en blikvoeding krijgen, zullen hun systemen moeite hebben om de overtollige geraffineerde koolhydraten te verteren. Aangezien veel van wat ze eten niet efficiënt wordt verwerkt door hun verteringssyteem, is de hoeveelheid ontlasting veel groter dan het zou moeten zijn. De overmaat aan onverteerde koolhydraten in de darmen van je dieren leidt tot “rottingsprocessen” in hun darmen met een negatief effect op hun gezondheid.

 

Gezonde vacht, minder verharen en minder haarballen bij je kat.

Na een paar weken op CarniVoer merk je dat de vacht van je dier zachter is geworden. Je kat en hond hebben onverzadigde vetzuren, omega-6 en omega-3, nodig in hun voeding. Ze moeten afkomstig zijn van dierlijke bronnen en omdat katten een beperkt vermogen hebben om deze zuren te maken uit plantaardige producten, is dat nog belangrijker voor de kat. Deze essentiële vetzuren dragen bij aan een gezonde huid en vacht, waardoor het aantal haarballen afneemt.
Naast deze vetzuren levert CarniVoer voldoende zink en zwavelhoudende aminozuren die de vacht ook verbeteren. Minder haarverlies dus minder rommel in je huis.

 

Meer energie

Na de overschakeling op CarniVoer merk je hoeveel meer energie je hond en kat krijgen. Je eens zo stille hond en kat beginnen rond te rennen en te spelen! CarniVoer verbranden ze beter en met minder afvalstoffen dat in meer energie resulteert.

Je kat is uniek aangepast om eiwitten te gebruiken voor hun energiebehoefte. Ze “verbranden” in wezen eiwitten, die ze in een proces dat gluconeogenese in de lever heet, omzetten in energie. Je hond en jijzelf verbranden ook eiwitten op deze manier, maar zetten het aan en uit. Afhankelijk van hoeveel eiwitten er beschikbaar zijn. Je kat kan dit niet. Hun “verbrandingssnelheid” is altijd hoog met hun absolute behoefte aan hoogwaardig eiwit uit CarniVoer.

 

Gewichtsverlies

Als je kat en hond overgewicht hebben, zullen ze waarschijnlijk beginnen af te vallen op CarniVoer. Je kat en hond zullen zich overeten wanneer ze een verkeerde rauwe- of brok voeding krijgen, in een poging om het gebrek aan nutriënten in de voeding te compenseren. Gewoonlijk zullen ze niet te veel eten bij het voeren van CarniVoer, omdat het hun voldoening geeft. Zeker als je na de CarniVoer maaltijd nog een snack van CarniVoer geeft om op te kluiven. De toename van de energie die ze hebben, zal hen ook helpen om meer calorieën te verbranden.
Bij een kat kan je met CarniVoer het jachtinstinkt prikkelen. Juist beweging voor de voedselinname is bij een kat belangrijk.

 

Betere spieropbouw

Het geven van CarniVoer resulteerd in een betere spieropbouw van je dier. Doordat onze rauwe voeding de juiste samenstelling heeft zonder de onnodige te veel aan koolhydraten kunnen de voedingsstoffen beter omgezet worden in spieren in plaats van in vetmassa. Natuurlijk is beweging een zeer belangrijk onderdeel voor de opbouw van spieren. Maar dan is het wel handig dat als er bewogen wordt dat de spieren de juiste voedingsstoffen krijgen die nodig zijn voor groei en herstel aan spieren. En dat zijn niet de koolhydraten! De juiste eiwitten en vetten doen spieren groeien en herstellen.
Dieren die voldoende bewegen en CarniVoer gevoerd worden hebben een mooie en droge bespiering.

 

Beter gebit

Net als bij de mens is de gezondheid van de tanden bij je hond en kat deels afhankelijk van de genetica. Honden en katten in het wild hebben in het algemeen geen tandvleesproblemen of tand verlies als gevolg van tandvleesproblemen. Waarom? Kauwen op rauwe botten, vlees, bindweefsel, huid en vacht helpt om de tanden schoon te houden.
Koolhydraten vormen een zetmeelachtige film die de opbouw van plak en tandvleesaandoeningen bevordert. Koolhydraatrijke voeding zal niet helpen om tandsteen onder controle te houden. Het verminderen of elimineren van koolhydraten in de voeding van je hond en kat zal helpen om gebitsproblemen op afstand te houden. CarniVoer optimaliseert het gebit. Dat is ook belangrijk gezien ontstoken tandvlees een open barrière is voor het intreden van bacteriën in de bloedbaan van je dier met alle gevolgen van dien.
Combineer de zachte voeding van CarniVoer dagelijks met een 100% natuurlijke kwauw snack van CarniVoer. Zo “poets, je het gebit na en stimuleert het kauwen de aanmaak van andere goede stofjes aan. De keuze is groot waardoor er voor ieder honden of katten ras een geschikt kauwartikel beschikbaar is.

 

Betere urinewegen

CarniVoer heeft een hoog vochtgehalte van ongeveer 65 tot 70%, dat vergelijkbaar is met dat van natuurlijke prooien. Koolhydraatrijke, vochtarme voeding, met name brokken, veroorzaakt alkalische urine en chronische uitdroging bij zeker je kat maar ook je hond. Dit kan leiden tot een ontsteking van de urinewegen. Omdat wilde katten en honden voldoende vocht in hun voer krijgen, hebben ze in het wild niet vaak problemen met de urinewegen.
Realiseer je dat je hond en je kat slecht kunnen drinken. Ga zelf maar eens op je knieën uit een bak water drinken…..en dan alleen met je tong.

 

 

Referenties

Dr. Bruce Syme, BVSc (Hons), “Feeding Raw Bones to Cats and Dogs.”

U.S. National Research Council Ad Hoc Committee on Dog and Cat Nutrition, Nutrient Requirements of Dogs and Cats, 2006, 7-10.

S. D. Crissey, J. A. Swanson, B. A. Lintzenich, B. A. Brewer, and K. A. Slifka, “Use of a Raw Meat-Based Diet or a Dry Kibble Diet for Sand Cats (Felis Margarita),” Journal of Animal Science 75, 1997, 2154-2160.

Claudia A. Kirk, Jacques Debraekeleer, and P. Jane Armstrong, “Normal Cats,” Small Animal Clinical Nutrition, 4th ed. Walsworth Publishing Company, 2000, 297-299.

John E. Bauer, DVM, PhD, DACVN, “Facilitative and Functional Fats in Diets of Cats and Dogs,” Journal of the American Veterinary Medical Association 229, no. 5, September 1, 2006.

Elizabeth M. Hodgkins, DVM, Esq., Your Cat: Simple Secrets to a Longer, Stronger Life, Thomas Dunne Books, 2007, 5-6.

David A. Fagan, DDS, Dental Consultant and Mark S. Edwards, PhD, Nutritionist, “Influence of Diet Consistency on Periodontal Disease in Captive Carnivores,” The Colyer Institute, 2009.

Elizabeth M. Hodgkins, DVM, Esq, Your Cat: Simple New Secrets to a Longer, Stronger Life, Thomas Dunne Books, 2007, 167-171.

 

Hebben deze dieren behoefte aan een verhoogde energie inname?  Ja, dat is zeker.

De drachtige teef of poes heeft afhankelijk van het aantal puppies of kittens een hogere behoefte aan energie. Van belang is dat ze niet teveel energie krijgt. Hierdoor kunnen er geboorteproblemen ontstaan. De te dikke hond of kat kan na de geboorte een leververvetting oplopen. De zogende pups of kittens vergen dusdanig veel energie dat de vet reserves te massaal gemobiliseerd worden. Deze vetzuren moeten in de lever tot glucose worden omgezet hetgeen de lever in een korte tijd niet kan, met de kans op  vervetting.

Wat wordt daarmee bedoelt?
In de natuur is voedsel bemachtigen voor wolven en katachtigen geen makkelijke klus. Het vergt enorm veel beweging. Deze dieren balanceren dus op de grens van energie tekort en energie voldoende. In deze situatie is er een natuurlijke trek van energie naar de baarmoeder waar de puppies of kittens in groeien. Na een maaltijd zal de energie en voedingsstoffen dus in prioriteit naar de baarmoeder gaan. Komt er nu teveel aan voeding binnen zal deze trek verminderen en ontstaat een vetopslag in het lichaam. Tijdens de dracht is het hormoon progesteron dominant en dit hormoon slaat ook sneller vet op. Deze balans vinden is nu het geheim in de huidige maatschappij.

Te veel vet kan leiden tot geboorteproblemen.
Maar over wat voor een vet spreken we dan. In de natuur is wit vet en bruin vet. Bruin vet is gezondheidsbevorderend maar wit vet geeft stofjes af die de gezondheid niet bevorderen. Het merendeel van vetopslag als energie is wit vet. Voor een korte periode van opslag is dit goed. Als het blijft dan kan het schadelijk zijn. Van belang is dus een goede balans vinden tussen voldoende en tekort aan energie.

Is het geven van granen aan drachtige teven en zogende teven nu een goede vorm van extra energie?
Om daar antwoord op te geven is het goed om eerst eens naar de levenscyclus van een graan te kijken. Granen zijn de voortplantingsorganen van aren. Haver, rogge, tarwe, spelt en mais om enkele te noemen. In hun levenscyclus is opeten totaal niet van belang. Sterker nog zij hebben zich hiertegen leren verdedigen.

Granen bevatten stoffen als lectinen, saponinen en fytaten. Dit zijn stoffen die op termijn de werking van darmen dusdanig kunnen hinderen met kans op  gezondheidsproblemen. De suikers in bewerkte granen zijn snelle suikers. Deze leiden tot insulinepieken en snelle witte vetopslag. Een overmaat aan suikers dwingt cellen tot meer glycolytische verbranding en daardoor een verzuring van het lichaam. Matige hoeveelheden suikers kan, helaas wordt het snel een overdaad.
De overdaad in keuze van de huidige makkelijke commerciële voeding in zakken en blikken is van de laatste tientallen jaren. Het spijsverteringssysteem van je hond of kat is vele duizenden jaren ouder.

Welke energie is dan correct. De meest correcte vorm van energie is uit de juiste vetten en eiwitten. Deze leveren meer energie per molecuul dan suikers doen, geven sneller een verzadigingsgevoel, houden lichaamstemperatuur in stand en geven geen aanleiding tot te hoge suikerspiegels in de bloedbaan met de bijbehorende insuline pieken. Denk hierbij aan kokosvet en omega-3  vetzuren.

Samengevat is extra energie in de vorm van meer eiwit en vet de beste methode die het minst van het lichaam vergt.

In dit hele verhaal moet wel opgenomen worden dat de beweging die de hond/kat voor de dracht en geboorte vertoonde veel invloed heeft op de wijze waarop het verteerd wordt.

REFERENTIES:

  • Effect of feeding fermented rice punch on oestrus induction in anoestrus bitches
  • Eul-Soo Choi, Pu-Rum, Jung-Il Chae.   Veterinary Record 2015
  • Leptin in the canine uterus and placenta: possible implications in pregnancy
  • Orsolya Balogh1*, Livia P Staub1, Aykut Gram2, Alois Boos2, Mariusz P Kowalewski2† and Iris M Reichler1 Reproductive biology and endocrinology. 2015

Hier kan je een pdf lijst vinden 👉 groenten en fruit lijst

Pup:
Deze kan na het spenen van de teef direct over op CarniVoer. Gezien het gebit nog juveniel is en wisselt is het verstandig K.V.V. ( kant en klaar verse voeding) te geven. Mocht je besluiten de grotere hondenrassen een bot met vlees te geven, geef dan een dusdanig groot stuk, die niet als geheel in te slikken is. Blijf erbij en controleer wat en hoe de pup(s) eten.

 

Voor eigenaren die toch nog wat brok willen blijven geven adviseren wij om te combineren met een goede kwaliteit brok, liefst een brok zonder granen of een geperste brok. Als je de voordelen van rauwe voeding wilt laten overheersen, moet je minimaal vijf dagen aansluitend CarniVoer en twee dagen aansluitend brok voeren. (uitleg pH in hoofdstuk spijsvertering uit de thesis osteopathie).

Vijfjarige hond:

Als de hond vijf jaar brok gevoerd is, is het darmstelsel veranderd om compensatie te bewerkstelligen. Daar moet je rekening mee houden. CarniVoer adviseert om de eerste maand de rauwe voeding te blancheren of het vlees in een vergiet en dan kokend water er over heen te gieten. Laat het vlees afkoelen voordat u het aan de hond geeft! Op deze manier komt “voor verteerd” voedsel in de maag en kan de aanpassing over een maand langzaam plaatsvinden.
Begin nooit met probiotica. De darmen bij deze leeftijd zijn zeer vaak “lek”. probiotica gaan dan door de darm met een afweerreactie en nog meer darmklachten. Pas na een maand CarniVoer gehad hebbende kunnen probiotica gegevens worden Vaak zet onze dierenarts Erwin van Gijtenbeek in die eerste maand glutamine in om de darmen te repareren.

 

De tienjarige hond:

Hoe ouder hoe minder makkelijk de overzetting kan zijn.  Hier geldt het gezegde  “Jong geleerd is oud gedaan”.
Hier geldt hetzelfde als bij de vijfjarige hond.
We praten hier over gezonde honden.

TIPS EN TRUCS VOOR DE ACCEPTATIE VAN RAUWE VOEDING
  • Door kokend water over de rauwe voeding te doen, haalt men het ergste rauwe er van af en de geur komt goed vrij. Dit kan men doen als het dier het voer niet accepteert (meestal bij katten het geval) of als men snel van de brok over wil gaan op rauwe voeding (meestal bij honden).
  • Het rauwe voer mengen met het voer wat al gegeven wordt. Eerst heel weinig er door heen roeren en iedere dag wat meer rauw en minder oude voer totdat het dier volledig rauw eet.
  • Voor de hond: als een hond CarniVoer minder lekker vind roer er dan een paar eetlepels pens doorheen. Bouw dit af en de hond is gewend om voer met minder pens te eten. Laat uiteindelijk pens weg. Pens verhoogt de kans op voedselintoleranties.

Kitten:
Deze kan na het spenen van de poes direct over op CarniVoer. Gezien het gebit nog juveniel is en wisselt is het verstandig K.V.V. ( kant en klaar verse voeding) te geven. Mocht je besluiten bot met vlees te geven, geef dan gevogelte zoals: kippennekken, eendennekken, karkassen en eendagskuikens. Botten van zoogdieren zijn te groot en te hard voor een kitten. Blijf erbij en houdt controle op wat en hoe de kitten(s) eten.
Voor eigenaren die toch nog wat brok willen blijven geven adviseren wij om te combineren met een goede kwaliteit brok, liefst een brok zonder granen. Als u echter de voordelen van rauwe voeding wilt laten overheersen, moet u minimaal vijf dagen aansluitend rauw voeren en twee dagen aansluitend brok voeren.

Jong volwassen kat, volwassen kat en de oudere kat:

Katten hebben over het algemeen fysiologisch geen problemen met de overgang naar rauwe voeding. Het probleem bij de kat zit meer in de acceptatie. Je hebt 50% kans als je een bakje rauwe voeding neerzet dat de kat er op afvliegt van “ hè hè baas heb je het eindelijk begrepen”, dan is het makkelijk je kunt u direct doorgaan met de rauwe voeding te geven. Of dat ze je aankijken van “ je denkt toch niet dat ik dát ga eten?”, dan moet je als eigenaar goed gemotiveerd zijn en de trukendoos open trekken om de kat aan de rauwe voeding te laten wennen.
Het mooiste is als ze het al van de moeder geleerd hebben.

De vijfjarige kat:
Als deze kat vijf jaar brok gevoerd is, is het darmstelsel veranderd om compensatie te bewerkstelligen. Daar moet je rekening mee houden. De kat is een verhaal apart. Deze laat zich in principe niet makkelijk overzetten op ander voer. De reden kan zitten in de inprintingsfase van de kat. De tip is om de rauwe voeding gedurende drie tot vier weken te mengen met de commerciële voeding. Een andere reden is dat een kat, veel meer dan een hond, eerst goed heeft moeten bewegen om de juiste “eetprikkel” te krijgen. Een kat in het wild jaagt namelijk en eet de prooi dan zo vers mogelijk op. Een kat eet niets dood van de grond, een hond wel.
Het neerzetten van een bakje voer door de eigenaar kan dan totaal geen stimulans zijn om te gaan eten. Immers het rent niet weg dus geen beweging en de voeding is bewerkt en niet net gedood. De tip is dan om eerst het jachtinstinct omhoog te halen en de kat te laten jagen achter iets aan, dit is tevens beweging! Na deze “jacht” wordt de voeding op kamer temperatuur aangeboden. De kans is dan vele malen groter dat de kat wel gaat eten. Je bootst namelijk de juiste fysiologie van eten na op deze wijzeBovenstaande methoden vergen wel wat volharding en actie van de eigenaar.
De tien jarige kat:
Hoe ouder hoe moeilijker. Hier geldt het gezegde  “Jong geleerd is oud gedaan”.

TIPS EN TRUCS VOOR DE ACCEPTATIE VAN RAUWE VOEDING
  • Door kokend water over de rauwe voeding te doen, haalt men het ergste rauwe er van af en de geur komt goed vrij. Dit kan men doen als het dier het voer niet accepteert (meestal bij katten het geval).
  • Het rauwe voer mengen met het voer wat al gegeven wordt. Eerst heel weinig er door heen roeren en iedere dag wat meer rauw en minder oude voer totdat het dier volledig rauw eet.
  •  Voor de kat: als bovenstaande niet werkt en de kat is gewend om alleen brok te eten dan moet er nog een tussenstap gemaakt worden om de kat aan een andere substantie in de bek te laten wennen. Er zit weinig anders op dan blikvoer of pouch verpakking door de brok te mengen en dan langzaam de brok te verminderen net zo lang totdat de kat het zachte voer eet. Daarna begint men een beetje rauw door het zachte voer te mengen en herhaalt men het afbouwen zachte voeding en opbouwen rauwe voeding net zolang totdat de kat over is op rauwe voeding.
    Neem de tijd! Het kan wel drie maanden duren………………
  • Wat ook vaak heel goed werkt is onontgeurde biologische kokosolie. Een theelepel per 5-10 kilo lichaamsgewicht door de rauwe voeding mengen. Geklaarde roomboter (Ghee) kan ook. katten zijn hier dol op. Zodra ze de CarniVoer gaan eten kan deze hoeveelheid twee maal ind e week gegeven worden. Onontgeurde kokosolie is daarnaast erg goed voor de werking van de hersenen van je kat (en hond en jezelf)
  • Er is nog een mooie, misschien wat vreemde tip die niet voor iedereen geschikt is, die de dierenarts geeft in zijn praktijd. Koop krekels en laat er één los. Grote kans dat je kat erop gaat jagen en als dit gecombineerd wordt met het aanbieden van CarniVoer op kamer temeparatuur is de kans vele malen groter dat de rauwe voeding gegeten gaat worden door je kat.“When two neurons fire together, they wire together.”

CarniVoer wil je graag enkele richtlijnen geven hoe je het beste met de rauwe voeding en snacks om kunt gaan. Rauwe voeding is “levende voeding” en daardoor snel aan bederf onderhevig. Voor de snacks die bij lage temperaturen zijn gedroogd gelden dezelfde regels.

Wij adviseren de volgende richtlijnen:

  1. Gebruik aparte bakken, snijplanken, messen en lepels, afwas attributen en voerbakken. Was alles direct na gebruik af.
  2. Als een voerbak van je hond of kat leeg is, reinig deze dan direct in de vaatwasser of wasbak met een goed reinigingsmiddel (liefst chemical free).
  3. Snij het bevroren vlees overlangs open en deponeer het bevroren vlees in een aparte afgesloten bak. Het plastic apart afvoeren. De kartonnen verpakking kan bij het oud papier. Het karton is van gerecycled karton en kan ook weer gerecycled worden.
  4. Ontdooi CarniVoer voeding in de koelkast. Het is de meest hygiënische methode.
  5. De rauwe voeding en snacks gescheiden houden van humaan voedsel.
  6. Eens ontdooit kan CarniVoer niet langer dan drie dagen in een afgesloten bak in de koelkast bewaard worden. Het is immers “levende” voeding.
  7. Reinig de bewaarbak als CarniVoer op is direct.
  8. Was voor en na het voeren van je dier je handen.
  9. Reinig eventuele verontreinigingen met een keukenrol of torkrol en een goed reinigingsmiddel. Gebruik geen vaatdoekjes.
  10. Houdt CarniVoer buiten het bereik van kinderen.

Let op:

Het karton gaat verdwijnen en wordt niet meer geproduceerd. Het verpakkingsmateriaal neemt dus af. Carnivoer komt in de nabije toekomst met milieuvriendelijke verpakkingen.

Wij adviseren dit niet omdat CarniVoer een besmettingsgevaar oplevert, maar om je duidelijkheid te verschaffen hoe je het beste met rauwe voeding om kan gaan. Dit geldt natuurlijk ook gewoon voor je eigen etenswaren.  Algemeen geaccepteerde huishoudelijke hygiëne toepassen is voldoende.

 

 

Vasten is van alle tijden. Het is in alle wezens op aarde evolutionair metabool ingebakken. 

 

Tijden van schaarste werden afgewisseld met tijden van rijkdom. Dit heeft geleid tot metabole flexibiliteit in dieren. Een constant gewicht komt in de natuur niet voor en is onbekend in het evolutionaire geheugen van de cel in de dieren. De laatste 50.000 jaar is dit metabole proces niet veranderd. Eenvoudigweg omdat de receptoren op de cellen niet zijn veranderd. DNA zegt in deze niets enkel de receptoren op de cel zijn hier van belang.

De honden en katten van vandaag worden veelal gevoerd met brok en blikvoeding. Deze voeding is verhit geweest tussen de 145- en 75 graden Celsius. Dit destrueert vele nutriënten. Daarnaast bestaat brok voor een zeer groot deel uit geraffineerde suikers.

Naast deze voeding krijgen onze honden en katten vele tussendoortjes en staan de brokjes de gehele dag klaar. Samengevat eten ze dus de gehele dag gedurende het gehele jaar. Iets wat hun cellen evolutionair niet begrijpen. Wel begrijpelijk gezien je als eigenaar goed voor je dier wilt zijn en dan is eten geven een logisch gevolg. De vraag is enkel hoe goed ben je eigenlijk voor je dier als je ze altijd maar te eten geeft ?

Als je hond en kat de gehele dag door eten en zelfs al wanneer ze elke dag dezelfde hoeveelheden eten, ontstaat onder andere een verminderde gevoeligheid voor insuline. Vooral met brok en blikvoeding. Insuline is het hormoon dat onder andere de suikerspiegel regelt bij je dier. Als deze insuline gevoeligheid afneemt stijgen suikerspiegels en kan suikerziekte ontstaan.

Continu hoge suikerspiegels door veel geraffineerde suikers (= hoge glycemische lading en – index) en de gehele dag door kunnen eten, leidt tot een snelle opstapeling van wit vet in de buikholte. Samen met dit vet zal het afweersysteem op een laag pitje aangezet worden. Het langdurig aanzetten van dit afweersysteem zal uiteindelijk leiden tot vele ontstekingsstoffen continu door het lichaam. Ook zal dit langdurig geactiveerde afweersysteem energie pikken van andere organen en weefsels. Dit zal leiden tot een tekort aan energie in andere weefsels. Dit chronische energietekort in weefsels en organen leidt op termijn tot een ziekte. Een verkeerde verdeling van energie dus.

Dit zijn enkele van de gevolgen van continu eten en continu veel geraffineerde koolhydraten aan je hond en kat geven.

Wat is nu aan te bevelen om je dier een gezondere voedingsinformatie te geven?  Juiste voeding is immers de juiste informatie voor een cel. Hier komt de oude uitspraak: “Voeding is je medicijn” van Hippocrates weer naar voren.

Hippocrates

Dieren die brok en blik eten kunnen niet zomaar intermitterend gaan vasten. Intermitterend vasten wil zeggen dat ze minimaal 16 uur geen voeding eten. Ze kunnen dit niet omdat ze insuline resistent zijn geworden. Als dit wel gebeurt, zal er een massale afbraak van vet ontstaan met de mogelijkheid van een leververvetting en te lage bloedsuikerwaarden die gevaarlijk voor de hersenfunctie kunnen zijn. Dit is niet gewenst.

Een langzame overstap (het liefst onder begeleiding van onze specialist dierenarts Erwin van Gijtenbeek) naar de rauwe voeding van CarniVoer is de correcte manier. CarniVoer  bevat geen koolhydraten maar de juiste vetten, proteïnen en voldoende vocht. Dat laatste is een zeer belangrijk maar vaak onderschatte nutrient. Het beste is pups en kittens direct op de rauwe voeding van CarniVoer te zetten. De meest ideale situatie….

Door CarniVoer rauwe voeding te geven, verdwijnt de insuline resistentie en zal het afweersysteem minder energie nodig hebben en ontstaat  dus weer een correcte verdeling van energie in het lichaam van je kat en hond.

Als deze overgang naar CarniVoer is gelukt en je dier staat een maand op CarniVoer met de benodigde supplementatie, kun je gaan beginnen met “intermittent fasting”.

Intermitterend vasten gaat als volgt. Geef je dier maximaal na 16 uur vasten één a twee maaltijden CarniVoer over de dag verdeeld. Haal de maaltijd na tien minuten weg. Geef ze ook niet elke dag dezelfde hoeveelheid Carnivoer. Dus bijvoorbeeld één dag de normale geadviseerde hoeveelheid. De dag erop de halve dosis. De dag erop driekwart, de dag erop de normale dosis en de dag erop de halve dosis.

Op deze wijze ontstaat een prikkel voor de cel de mitochondriale activiteit te verhogen. Een mitochondrium moet je zien als de “powercentrale” van de cel.

Mitochondrium

 

Hoe meer je dier er in de cellen heeft des te efficiënter kan zij of hij met voeding omgaan. Anders gezegd. Ze kunnen dan uit de  voeding tot wel negen keer meer energie halen. Wat vooral een prikkeling geeft deze mitochondriën te vermeerderen, is nuchter een grote inspanning met je hond en kat te gaan uitvoeren. Je prikkelt de cel meer mitochondriën te maken gezien de cel met minder energie moet gaan werken. Dus is efficiëntie toename van voeding van belang. Dat kunnen enkel mitochondriën realiseren en moeten deze dus toenemen.

Mitochondriën zijn van groot belang voor de gezondheid van je kat en hond. Evolutionair zijn het bacteriën waarmee zoogdier cellen zijn gaan samenwerken. Ook zijn ze van belang voor andere processen zoals apoptose. Apoptose is de natuurlijke celdood van een cel. Functioneert apoptose niet goed, kan de kans op het ontstaan van kanker toenemen.

Door intermitterend te vasten daalt de insuline resistentie. Nuchter bewegen geeft een stijging van de stof AMPK kinase. Deze stof maakt cellen gevoeliger voor insuline en leidt tot een nog beter gecontroleerde suikerspiegel. Dus meer weerbaarheid van de cel en dus meer gezondheid voor je hond en kat.

Ook hersencellen verbeteren door nuchter te bewegen en intermitterend vasten van je dier. “Brain Derived Neurotropic Factor”  wordt gevormd door intermitterend te vasten. Deze stof geeft aanleiding tot het verbeteren van de verbindingen tussen de zenuwcellen in de hersenen van je dier. Je dier wordt slimmer en hersenaandoeningen kunnen verminderd worden. Denk aan bloedingen en dementie waar honden en katten ook mee te maken krijgen.

Intermitterend vasten, geen geraffineerde koolhydraten, CarniVoer voeren en nuchter intens gaan bewegen is een methode die ertoe kan leiden dat je meer plezier van je hond en kat gaat krijgen en een bezoek aan de dierenarts tot een minimum beperkt.

 

Opmerking: Deze kennis gaat over gezonde volwassen dieren. Andere dieren enkel onder veterinaire begeleiding dit laten ondergaan.

De vraag moet eigenlijk zijn; Wat is compleet voeren?

Is een complete maaltijd wel effectief voor uw hond en/of kat?
Bijna alle voermerken zijn complete voeders, maar verschillen ondertussen wel van samenstelling en analyses. Ze hebben dus allemaal hun eigen visie over een complete voeding.

Wel is er bekend wat de minimale hoeveelheden aan voedingsstoffen moeten zijn om een dier niet dood te laten gaan en ieder voermerk zal zich minstens aan deze minimale eisen houden. Maar is dat dan wel de hoeveelheid die uw hond of kat nodig heeft? Leeftijd, ras, dracht, zogen en sport hebben hier allemaal mee te maken.

Iedere dag geeft u een constante hoeveelheid voer aan uw hond/kat. De verbranding van uw hond/kat is niet constant. U moet dus de hoeveelheid voeding afstemmen op de beweging die uw dier gehad heeft. Bij brok/blik zijn complete voedingen. Het wordt afgeraden om bij deze voeders nog andere voeding te geven. Het zou immers het “uitgebalanceerde” product uit balans brengen.

Klinkt goed, denkt u, een uitgebalanceerde constante samenstelling van het voer. Echter juist iedere dag een uitgebalanceerde constante samenstelling geeft op den duur voedingstekorten.

Hoe kan dit?
Er zijn drie mechanismen die voeding van de darm de bloedbaan inbrengen. Diffusie, osmose en actief transport. Het actief transport is een mogelijkheid. Veel stoffen maken van hetzelfde transport mechanisme gebruik.  Als nu twee stoffen elkaar beconcurreren in dit transport zal de “sterkste” (het voedingsmiddel met de sterkste affiniteit voor een bepaalde receptor) het meest gebruik van dit transport maken en overvloedig in het bloed terecht komen. De andere stof wordt dus niet opgenomen en verlaat via de ontlasting het lichaam weer. Competitieve inhibitie wordt dit genoemd. Zo kan dus een compleet voer op de lange duur tot tekorten van bepaalde stoffen leiden.

“Zuigende” werking
De gedachten van veel eigenaren, en ook diervoederfabrikanten, is dat er een complete voeding in het dier gestopt moet worden. Men wil het liefst alle voedingsstoffen in het dier “duwen.” Dit is een verkeerde gedachte, niet de voeding zelf bepaalt wat het dier opneemt, maar het systeem in het dier bepaalt wat er opgenomen wordt aan voedingsstoffen. Wel de kanttekening dat de voeding die gegeven wordt genoeg voedingsstoffen bevat! Een lichaam streeft altijd naar een balans. (homeostase). Het lichaam heeft een “zuigende” werking op de nutriënten waar het op dat moment behoefte aan heeft. Een cel neemt immers niets op als het aan alles voldoende heeft. Vergelijk het met uw auto…..tanken doet u toch enkel als de tank leeg is? Wij hebben nog nooit iemand een volle tank zien vullen.

Door verschillende diersoorten, dus CarniVoer mixen, met elkaar af te wisselen geeft u uw dier genoeg mogelijkheden om een disbalans weer recht te trekken. Dit hoeft echt niet per dag te verschillen. U kunt best per maand gaan denken.
Voeden is dus geen duwende werking maar een zuigende werking! Er moet eerst een relatief tekort zijn voordat een cel een nutrient opneemt.

Afwisseling in voeding is de oplossing en veel leuker voor je huisdier
Met brokvoeding wordt afwisseling juist afgewezen, omdat dit vaak maag-, darmklachten geeft bij het dier. Veel eigenaren hebben moeite dat hun dier iedere dag hetzelfde voer krijgt.  Verteringstechnisch is afwisseling van belang. Rauwe voeding moet compleet zijn over een periode van vier tot zes weken.

CarniVoer heeft nooit een constante samenstelling. Deze dieren die in CarniVoer zijn verwerkt, leven allemaal ergens anders, worden anders gehouden en gevoerd. Uiteraard voldoen de dieren aan onze kwaliteits-eisen. Wij kunnen het met onze kennis uitstekend uitbalanceren, zodat er geen tekorten of overdaad kan ontstaan. Het wisselen van diersoorten is nog een prima middel om tekorten aan nutriënten te voorkomen. Een rund heeft immers andere verhouding eiwitten, vetten en  sporenelementen dan een kip of lam. Men kan veel afwisselender voeren met CarniVoer en ook dat wordt zeer gewaardeerd door uw hond/kat!

CarniVoer is een uitgebalanceerde prooidiervoeding. De samenstelling is gelijk aan de delen die de wolf of katachtigen eten van een gevangen dier. Alle smaken kunnen met elkaar afgewisseld worden. U hoeft niet bang te zijn dat uw dier tekorten of overdaad aan nutriënten oploopt. Het advies wat wij geven is dat u de mixen wisselt en regelmatig  een B.A.R.F.  product (vleesbot) geeft. Dit is onder andere goed voor het gebit.
Geen gebakken- of gekookte botten/graten geven. Door bot/graat te verhitten verandert de structuur en splintert het sneller en geeft kans op verslikkingsgevaar. Het maagzuur kan verhitte botten/graten niet verteren. In de natuur heeft een wolf/dingo/leeuw/marter enz. ook geen gasstelletje bij zich.

Voeding van uw hond en kat behoort niet enkel uit spiervlees, organen en botten te bestaan. Uw hond en kat zijn geen “eenheidsworst” maar individuele dieren met elk hun individuele behoeften net als wij mensen. Carnivoer ontwikkelt en blijft dat doen supplementen als kruiden en een paddenstoelenmix om aan alle behoeften van uw dier te voldoen.

U kunt te allen tijde minieme verse of vers gedroogde kruiden toevoegen aan de voeding. Groene kruiden bevatten, onder andere, verschillende stofjes die ontstekingsremmend werken, DNA repareren, bacteriën afremmen, mitochondriën beschermen en oxidaties tegengaan.

CarniVoer heeft diverse Fyto-supplementen hiervoor ontwikkeld. Het goede van de natuur gedroogd en fijn gemalen in een pot.

Je hebt vast wel eens gehoord over het belang van taurine in de voeding van je kat. Het is een natuurlijk voorkomend nutriënt dat vooral in spiervlees en organen zoals hart, nieren en lever en in schaal- en schelpdieren zit. 

Taurine: = 2-amino-ethaansulfonzuur is een zwavel bevattend organisch zuur en één van de weinige natuurlijk voorkomende sulfonzuren. Taurine komt in grote hoeveelheden voor in het lichaam van je hond en kat en speelt een belangrijke rol in het cardiovasculaire systeem, de ontwikkeling en functie van spieren, de retina in het oog en de hersenen.

In de spieren wordt het geconcentreerder naarmate de spieren harder werken. Donker vlees heeft meer taurine dan licht vlees omdat het afkomstig is van delen van het lichaam die harder werken. Een ander mooi voorbeeld is het hart. Hoewel het een orgaan wordt genoemd, is het de hardst werkende spier in het lichaam van je hond en kat en heeft het een van de hoogste concentraties taurine. Schelpdieren zoals mosselen hebben ook veel taurine in zich. Ze filteren voortdurend en volgen hetzelfde “hardwerkende” scenario als spieren en concentreren taurine in hoge mate in hun weefsels. Kleine hoeveelheden taurine komen voor in zuivelproducten. Plantaardige producten bevatten lage of niet waarneembare hoeveelheden taurine.
Hoewel vlees een goede bron van taurine is, is er volgens een gepubliceerde studie een aanzienlijke variatie taurine in de verschillende soorten vlees. Volgens deze gepubliceerde studie wordt het gehalte aan taurine niet alleen beïnvloed door de voeding maar ook het ras en de omgeving en ook door de versheid van het vlees. Met “ras” bedoel ik het soort dier waarvan het vlees  afkomstig is.

Je kat is een verplichte (obligate) carnivoor. Dit in tegenstelling tot je hond. Je kat is niet in staat om de taurine die ze nodig heeft zelf te maken uit andere aminozuren zoals methionine en cysteïne.
Deze lage mate van synthese in combinatie met het verlies ervan in gal van je kat, draagt bij aan een verhoogde behoefte aan taurine voor je kat. Met onvoldoende hoeveelheden van dit essentiële nutriënt in de voeding kan je kat centrale netvliesdegeneratie, voortplantingsstoornissen, een verminderde foetale ontwikkeling en cardiomyopathie (= hartspierdegeneratie) ontwikkelen.
Klinische tekenen van een tekort zullen niet direct zichtbaar zijn. In sommige gevallen kan het een paar maanden of jaren duren, maar zodra je kat klinische tekenen begint te vertonen, is er al aanzienlijke schade aangericht.

Een zeer belangrijke eigenschap van taurine is zijn hoge oplosbaarheid in water. De uiteindelijke hoeveelheid taurine in het voedsel zal afhangen van de technieken voor de bereiding en opslag van een rauwe voeding. Om het verlies tot een minimum te beperken, moet altijd geprobeerd worden om alle vloeistoffen uit het vlees te behouden. Als het vlees bijvoorbeeld gekookt moet worden, is dat het beste om in een kleine hoeveelheid water te doen. Het koken van vlees op temperaturen die gebruikt worden voor de normale bereiding van voedsel verandert het taurine molecuul op zich niet. Het spoelt gewoon uit het vlees in het water. En dat vocht gooit men dan meestal weg. 

Bij CarniVoer krijgen we soms de vraag of taurine kracht verliest tijdens het bewaren van rauwe voeding in de vriezer. Het antwoord is ja en nee. Het invriezen heeft geen invloed op de werkzaamheid van taurine in CarniVoer, maar bij het ontdooien komt er wel vloeistof vrij. Omdat taurine goed oplosbaar is in water, zal die vloeistof een deel van de taurine uit het vlees meenemen. Als je deze vloeistof weggegooid, verlies je een deel van het bij katten noodzakelijke taurine.
CarniVoer doet een percentage hartspier in de rauwe voeding zodat het taurine gehalte in de voeding gewaarborgd is voor katten en honden. 

Dus als je bevroren CarniVoer ontdooit en er komt vocht bij vrij weet je nu dat deze vloeistof (drip heet dat) vol met het noodzakelijke taurine zit voor je kat maar ook goed is voor je hond. Er zitten namelijk meer voedingsstoffen in die vloeistof .
Gooi het dus niet weg maar doe het door de voeding van je kat of hond.

Als wij vlees kopen in de supermarkt zie je nooit vocht in het kuipje met vlees. Dit dripvocht wordt opgevangen door de tampon die altijd onder het stukje vlees ligt. We zijn vocht bij vlees gewoon niet meer gewend.

Uiteraard worden onze rauwe producten van CarniVoer geproduceerd en gecontroleerd op een hoog niveau dat ze voldoen aan alle voorwaarden om taurine in onze voeding te waarborgen.  

Trichinella spiralis of ook wel de “spierworm” genoemd is een worm die zich in spiervlees kan bevinden. In 1835 ontdekte de jonge medische student Jim Paget deze worm bij toeval tijdens een sectie. Een aan tuberculose overleden man werd in de anatomie zaal ontleed. Een onderzoek aan het diafragma van de man bracht Trichinella spiralis naar boven. De parasiet bevond zich opgerold in het spierweefsel.

Trichinella spiralis – parasitic worm in muscle in microscope

Een L1 larve in een spiercel (zustercel)

Trichinella spiralis komt voor bij varkens, ratten, mensen en vele andere zoogdieren. Voornamelijk bij in het wild levende dieren. Er zijn verschillende soorten Trichinella zoals onder andere T. britovi en T. nativa.

De hoofd klachten zijn koorts, diarree, spierpijn en braken. De levenscyclus is indirect. De opname van de parasiet gebeurt door het eten van spiervlees waarin de L1 larve zit. De L1 larve ontluikt dan in de maag van de hond of kat en groeit in het darmstelsel door tot een volwassen worm. De mannelijke en vrouwelijke parasieten paren en produceren weer eieren die slechts enkele weken worden uitgescheiden in het milieu. De mannelijke parasieten sterven direct na de paring. Vele L1 larven ontstaan uit de eieren in de darm. Deze L1 larven gaan zich weer nestelen in het spiervlees van de gastheer. Ze transformeren de spiercel tot een “zustercel.” Deze spiercel gaat dus volledig in dienst staan van de L1 larve die erin zit. Zo kan de L1 larve groeien en wordt een cyste die  jaren in het spiervlees aanwezig kan blijven.

Een eenmaal besmet dier kan vrijwel niet meer effectief behandeld worden met ontwormingen. De opgerolde L1 larve in een spiercel is onbereikbaar voor de tot nu toe ontwikkelde bestrijdingsmiddelen.

Trichinose is een aangifteplichtige infectie. Een arts moet melding van de ziekte maken als deze geconstateerd wordt.

Tijdens de keuringen van vlees worden steekproefgewijs controles uitgevoerd op trichinose. De voorkeursplaats van Trichinella is het diafragma. Daar wordt een monster van genomen en onderzoek op gepleegd. De reservoirs van trichinose zijn varkens, vooral met vrije uitloop en paarden.

CarniVoer gebruikt geen diafragma’s in hun producten dus minimaliseren we zo de kans op infectie. Invriezen doodt voor 99% alle L1 larven in vlees. Tien dagen bij -23 of twintig dagen bij -15 graden Celsius. Uiteraard kan het vlees ook verhit (bakken) worden wat ook afdoende is om trichinose af te doden.

CarniVoer doet regelmatig parasitair onderzoek op de producten om trichinose adequaat te monitoren. CarniVoer vriest het geproduceerde vlees in tot -40 graden in een shockvriezer en bewaart het product bij -20 graden Celsius.

De gezondheidsbevorderende aspecten van CarniVoer voor uw hond en kat zijn groot en de kwaliteitsbewaking van onze producten ook.

Referenties:
RIVM
Veterinary parasitology  Taylor, Coop, Wall third edition 2007

CarniVoer gebruikt vlees, bot en organen en dit bevat de vitaminen B, A, D, en E.
De A, D,E komen voornamelijk uit de lever. 

Vitamine B12 tekort komt voor als het slijmvlies van het darmstelsel beschadigt raakt en het aangeboren immuunsysteem de ”vijanden” niet meer aankan. Nu wordt het verworven immuunsysteem geactiveerd en ontstaat 24/7 een laaggradige ontsteking. De “intrinsic factor” wordt dan door de maag niet meer gemaakt. Deze factor is noodzakelijk om vitamine B12 op te nemen. Dus leidt dat tot een VitamIne B12 tekort. Ook al zit dit dan voldoende in de voeding. De enige therapie om het tekort aan vitamine B12 dan aan te vullen zijn onderhuidse injecties. Immers via de voeding supplementeren is nu zinloos.  Dit zien we in onze Sterkliniek Any Animal vooral bij brok en blikvoer gevoerde dieren. Brok en blikvoer heeft in deze pathologie een groot aandeel omdat dit soort voedingen laaggradige ontstekingen in de hand werkt. 

Onze dierenarts is werkzaam in een dierenkliniek waar veel dieren rauw gevoerd worden met CarniVoer. Mineralen en vitaminen kunnen wij meten door middel van onze bloedonderzoeken bij de dieren zelf!  CarniVoer is hiermee het enige rauw voermerk waarbij controle door bloedonderzoek op honden en katten plaats vindt die CarniVoer eten. We meten uit dit bloed de calciumfosfor, natrium, kalium, magnesium en de A,D,E en K vitamines.
Op deze manier hebben wij een nog mooiere controle dan alleen de voeranalyses. Een voeranalyse is leuk, maar bloedonderzoek zegt iets over de opname van nutriënten uit de voeding. Veel meer dus…..

De fytosupplementen van CarniVoer bevatten biologische kruiden. De kruiden bevatten vele ondersteunende stoffen als bioflavonoïden en deels essentiële oliën. Daarnaast bevatten ze vitamine A en de B vitaminen.

Uiteraard zijn er verliezen tijdens de verwerking van elke rauwe voeding. Daarom doen wij analyses voor productie en na productie. CarniVoer weet dat een complete maaltijd altijd op termijn tot tekorten leidt. Alle nutriënten  moeten door een cel opgenomen worden via een porie of receptor. Als een maaltijd “compleet” is ontstaat er receptor competitie. De receptor zal altijd een evolutionair belangrijk nutriënt voor laten gaan ten koste van een ander nutriënt. Op deze wijze ontstaat dan een tekort aan het nutriënt dat de receptor niet bereikt of niet door de receptor wordt opgenomen.
Kortom: iedere dag aan je dier maaltijden te geven dat door middel van toevoegingen compleet is gemaakt, raden wij af. Je kan hier meer lezen over dit onderwerp.

Helaas zien we steeds meer rauwe voedingen met toevoegingen om het compleet te maken. Angst is een goed verkoopargument. Wij geven liever uitleg en delen kennis. Stel dat “wij mensen” iedere dag dezelfde hoeveelheid vitamines en mineralen zouden binnen krijgen via onze voeding, wat denk je dan dat er gaat gebeuren?
Daar worden we echt niet gezonder van 😉

CarniVoer adviseert om bij elke voeding of dit nu brok, blik, rauw, ongeacht wel of niet CarniVoer, om de fytosupplementen aan de voeding toe te voegen. Fytosupplementen

Het afwisselen van voeding is van belang, maar van een nog groter belang voor de opname van alle nutriënten is intermitterend vasten. Dit is de bepalende factor of een cel een nutriënt gaat opnemen of niet.
Klik hier voor meer informatie over intermitterend vasten.

Maillard reacties.

Wat zijn Maillard reacties en wat doet dat in het lichaam van mijn hond en kat.

Hoe ontstaan Maillard reacties? De basis van de brok productie is zetmeel en eiwitten. Tijdens het productieproces worden brokken verhit. Geperste brok tot 72 graden en geëxtrudeerde brok tot 145 graden Celsius. Tijdens dit verhittingsproces ontstaan verbindingen tussen de suikers (zetmeel) en de eiwitten. Dit noemt men in de scheikunde een “Maillard reactie”. Deze naam komt van de chemicus Louis Camille Maillard. De verbindingen tussen het zetmeel en de eiwitten noem je ook “Advanced Glycation End product” , afgekort AGE.

Deze Maillard reactie geeft de typische bruine kleur aan brokken. De reactie vindt ook plaats als je je witbrood in de broodrooster stopt. Deze verkleurt bruin. Koffie en bier bevatten ook AGE. Vlees op de barbecue wat donkere tot zwarte plekken bevat zijn AGE’s. Ook de geroosterde noten, caramel, brood en friet (alles wat gefrituurd is) bevatten ze.

Als je hond en kat brokken eet, komt er tevens veel fructose (suiker) binnen waar brokken voor een groot deel uit bestaat. De overmaat aan suikers geeft automatisch verbindingen met de al in het lichaam aanwezige eiwitten. Intern gevormde AGE’s ontstaan zo.

AGE’s kunnen dus met het eten binnenkomen en intern gevormd worden.

Wat doen die AGE’s?
Deze AGE’s verbinden zich met de receptoren (=ontvangers) op de cellen van je hond en kat. Eén van deze receptoren is de “RAGE receptor”. Het gevolg van deze verbinding is het activeren van het  afweersysteem. In veel gevallen staat het afweersysteem al laaggradig aan bij je hond en kat. AGE’s versterken deze verkeerd werkende afweer. Het resultaat is nog meer ontstekingen in het lichaam van je hond en kat en zo nog meer klachten. Klachten als artrose, suikerziekte, staar en mogelijk kanker. Waarbij diabetes type II en ouderdom een aanvullende versterkende rol spelen.

Om gezondheid en fitheid te bewaren is het van belang AGE’s inname en de interne productie tot het uiterste minimum te beperken. CarniVoer bevat totaal geen geraffineerde suikers of rijst en andere granen of groente die hoofdzakelijk uit zetmelen bestaan zoals aardappelen/bataat/aardpeer etc.

Referenties

Maillard reaction in food allergy: Pros and Cons

Rinkesh Kumar Gupta, Kriti Gupta, Akanksha Sharma, Mukul Das, Irfan Ahmad Ansari & Premendra D Dwivedi

Rinkesh Kumar Gupta, Kriti Gupta, Akanksha Sharma, Mukul Das, Irfan Ahmad Ansari & Premendra D Dwivedi (2016): Maillard reaction in food allergy: Pros and Cons, Critical Reviews in Food Science and Nutrition 2016

High dietary glycemic load is associated with higher concentrations of urinary advanced glycation endproducts: the Cohort on Diabetes and Atherosclerosis Maastricht (CODAM) Study Kim Maasen, Marleen MJ van Greevenbroek, Jean LJM Scheijen, Carla JH van der Kallen, Coen DA Stehouwer, and Casper G Schalkwijk

 

De juiste rauwe voeding op de juiste wijze gegeven is veilig

 

Rauwe voeding is de enige voeding wat het lichaam van een carnivoor goed begrijpt en vrijwel geen immuunreactie geeft.

De laatste jaren zijn het aantal rauw voer merken (KVV) als paddenstoelen in de herfst de grond uit geschoten. Vaak ligt de nadruk op omzet draaien en minder in kennis, kwaliteit en positieve uitwerking op lange termijn voor honden en katten.

Rauwe voeding kan een enorm positieve invloed hebben op de gezondheid van honden en katten. Evolutionair en proefondervindelijk is hier een basis voor. De verwerking in het maag-darmkanaal gaat beter en leidt tot het beter functioneren van alle organen. We gaan in dit stuk niet in over het hoe en waarom, wat betreft rauwe voeding en de gezondheid van honden en katten. Die informatie vind je voldoende in deze site.

Wat we wel willen belichten is de veiligheid van rauwe voeding. Geen enkele voeding is perfect en geen enkele voeding is veilig. Brok of rauw. In elk bereidingsproces kan wel iets misgaan met wel of geen consequenties voor de gezondheid van honden en katten. Menig persoon heeft zelf wel eens een voedselvergiftiging opgelopen na het eten van een maaltijd of een bepaald product.

De consequentie van vers is dat het kort houdbaar is.
Wat is nu eigenlijk bederf en waarom is dit nu onveilig.
Het bederven van rauwe voeding is een biochemisch proces waarbij de integriteit van de cellen verloren gaat. na de dood ontstaat zuurstof tekort en een energie (ATP) tekort. De celmembraan bestaat uit een dubbele fosfolipiden membraan waar vele receptoren en transportkanalen ingebouwd zijn. Zonder energie en zuurstof kunnen deze niet meer functioneren en sterven dus af. Zo gaan alle barrières verloren. In de darm zitten vele bacteriën zoals bifida en lactobacteriën, maar ook coli en salmonella’s. Deze kunnen nu door de afgestorven barrières heendringen en bederf veroorzaken. Een andere insteek in het bederf zijn de vele enzymen die in een lichaam en dus in een cel aanwezig zijn. Deze enzymen kunnen niet enkel voeding verteren maar dus ook een lichaam dat geen energie voldoende meer heeft.
Door al deze processen kunnen bacteriën toenemen en mogelijk een gezondheidsprobleem geven.

Als voeding vers is en geen conserveringsmiddelen bevat zal het aan bederf onderhevig zijn. Een natuurlijk teken dus.
De mensheid heeft vele methoden ontwikkeld om bederf tegen te gaan. Pekelen, weckflessen, drogen aan de lucht, invriezen, roken en conserveermiddelen. Op deze wijzen kon men voedsel langer bewaren. Niet in lengte van dagen maar toch langer zodat in tijden van schaarste ook voedsel aanwezig was.

Om bederf tegen te gaan en dus de veiligheid van voeding te waarborgen hanteert CarniVoer onder andere de volgende methoden:

  1. De aanvoer van vlees, botten en organen moet bevroren tot gekoeld en vers zijn
  2. De verwerking gebeurt in partijen zodat één smaak direct verwerkt wordt
  3. Na de verwerking wordt de mix direct verpakt
  4. Aansluitend gaat alles naar een shockvriezer waar het in een zeer korte tijd bevroren wordt tot -40 graden Celsius en daarna in vriezers met een minimale temperatuur van -20 graden Celsius.
  5. Het transport naar de distributeurs gebeurt met vrieswagens.
  6. De distributeurs behoren het direct bij aankomst ook bij -20 graden Celsius te bewaren.
  7. De distributeurs behoren het met vrieswagens bevroren af te leveren aan de verkooppunten.
  8. De verkooppunten behoren het ook aansluitend bij minimaal -20 graden Celsius te bewaren.
  9. Ook de consument behoort er net als zijn eigen voedsel secuur mee om te gaan zoals in een van de stukken in deze website uitgelegd.

Vooral het shock vriezen en daarna bevroren bewaren is van belang voor de versheid en voor de enorme reductie van bacteriën en parasieten die mogelijk in de voeding kunnen zitten.

Samengevat is CarniVoer veilig en heeft CarniVoer een goed kwaliteit bewakingssysteem inzake de aanvoer, productie en opslag. Uiteraard dragen de distributeurs, verkooppunten en consumenten hierin ook hun steentje aan bij. Zij moeten zorgvuldig zijn in hun handelswijzen. Echter als klachten geconstateerd worden zal CarniVoer adequaat optreden en verbeter maatregelen treffen.

Heb je ondanks alles toch klachten, meldt ons deze. Klik hier. Wij ontvangen ze graag en zien je mogelijke klacht als een kans tot verbetering van ons product.

 

 

Dit is een normaal verschijnsel. Het is van tijdelijke aard en heeft te maken met het ontgiftingsproces.

De vorige voeding heeft je hond belast met allerlei afvalstoffen. Als je overstapt op de correcte rauwe voeding, zal dit binnen afzienbare tijd over zijn. Hoe langer er lagere kwaliteit voeding is gevoerd, hoe langer de ontgifting duurt. Je kunt dit ondersteunen met het Fytosupplement Lever van CarniVoer.

Als een dier langdurig een lagere kwaliteit voedsel heeft gegeten kan dit geleid hebben tot het opstapelen van afvalstoffen in de bindweefsels en leiden tot een veranderde leverfunctionaliteit. De overstap naar CarniVoer doet deze afvalstoffen loskomen en worden het lichaam uitgewerkt. Dit kan zich uiten in de volgende tijdelijke verschijnselen:

  •    Een tijdelijk dunnere ontlasting.
  •    Een tijdelijke (mond) geur.
  •    Tijdelijk meer haarverlies.

Uiteraard vinden deze verschijnselen niet allemaal tegelijk en in dezelfde mate plaats.

CarniVoer gevoerde honden ruiken juist niet. Ze hebben minder snel last van tandsteen en stinken niet uit de vacht (ook niet als deze nat is) en niet uit de bek.
Voor meer informatie verwijs ik je naar de verkorte uitvoering van de thesis van dierenarts osteopaat, acupuncturist en kPNI therapeut Erwin van Gijtenbeek op deze website.

De kans op een parasitaire infectie bij het geven van CarniVoer is net zo klein als bij het geven van brokvoeding

Wat betreft rauwe voeding en de mogelijke besmettingsgraad speelt enorm mee of honden en katten al eerder contact gehad hebben met de parasieten en zo al afweer hebben kunnen opbouwen. Ook speelt mee of de hond en kat gezond zijn. Zijn hun barrières intact.
Het geven van rauwe voeding van CarniVoer helpt juist enorm mee aan een goede afweer en barrière bij je dier.
Naast de besmetting speelt mee hoeveel parasieten ze in een bepaalde tijd binnenkrijgen. Er is een minimale hoeveelheid nodig om een ziekte te veroorzaken.

Naast de strenge controles doet CarniVoer extra parasitologisch onderzoek op hun producten om parasitaire infecties op tijd te kunnen op te merken en effectief daarnaar te handelen.

Hoe zit dat nu met die parasieten en hoe kan je ze voorkomen?

Weerstand van de hond en kat tegen parasitaire infecties.

Als we praten over weerstand tegen parasitaire infecties zijn deze in twee delen te verdelen:

1. Aangeboren weerstand
2. Verworven weerstand

De aangeboren weerstand is een weerstand van de barrières zelf. De darmen, de longen en de huid hebben elk hun aangeboren specifieke mechanismen om zich te verdedigen tegen binnengekomen parasieten. Evolutionair hebben parasieten en honden en katten elkaar al eeuwen belaagd en zijn aanpassingen “ontworpen” om elkaar te weerstaan. In de wilde natuur is leven en laten leven bekeken vanuit parasiet en gastheer (je huisdier)  een enorm voordeel voor beide.

De verworven weerstand is opgebouwd door een herhaald contact met de parasiet.
Het verworven immuunsysteem van je dier heeft dan een humorale dan wel cellulaire immuniteit opgebouwd tegen een bepaalde parasiet.

Soort resistentie
Niet elke parasiet floreert in elk zoogdier even goed. Eimeria parasieten zijn vrij soort specifiek, Toxoplasma canis, de honden spoelworm, is niet honderd procent soort specifiek. Deze kan in enkele gevallen een mens besmetten. Echter omdat de mens niet de soort specifieke gastheer is zal de spoelworm zich anders gedragen in een menselijk lichaam. Het zal anders migreren door het lichaam en zich in andere organen begeven. Dit is uiteraard niet wenselijk.

Leeftijd resistentie
Veel wormen kunnen zich gemakkelijker in jonge dieren ontwikkelen dan in oudere. In oudere gastheren zullen ze zich vaak maar voor een deel ontwikkelen en verder inactief blijven.
Andere wormen blijven inactief in een volwassen gastheer maar gaan weer actief worden wanneer het moeder dier jongen gaat krijgen. Hormonale veranderingen veroorzaken dit. Zoals bijvoorbeeld bij de honden spoelworm, die dan via de baarmoeder de pups besmet en zich zo voortplant.
Bij sommige dierensoorten zien we op jonge leeftijd een goede weerstand tegen parasieten en op oudere leeftijd weer niet. Zo kan het dus ook en dat zien we bij runderen met betrekking tot Babesia en Anaplasma infecties.

Ras resistentie
In het licht van weerstand tegen parasieten is dus soort en leeftijd van belang maar ook het ras. Bijvoorbeeld in Zuid Afrika is het Merino schaap minder gevoelig voor bepaalde trichostringylus soorten dan de andere schapenrassen. Elk ras heeft zijn eigen specifieke afweer en proteïne structuren op de cel zodat een bepaalde parasiet wel op het ene ras kan aanslaan maar niet op het andere.

Wat gebeurt er bij de verworven immuniteit van de gastheer (je huisdier) met de parasieten ?
De antigenen op de larve 3 tot de ontwikkeling van de volwassen worm leiden tot de opbouw van de afweer van de gastheer. Deze opbouw van immuniteit bij de gastheer leidt tot:

1. Voorkomen van migratie door het lichaam van de gastheer, stoppen van hun ontwikkeling in het larvaire stadium.
2. De groei van de parasiet wordt geremd en ze blijven te klein en hun voortplantingsvermogen daalt.
3. De ontwikkelde afweer verdrijft of doodt de wormen.

Helaas…. de afweer van de parasiet is ook geëvolueerd
Parasieten die gespecialiseerd zijn geworden in het besmetten van jonge dieren om zich voort te planten. Jonge dieren hebben vaak nog geen adequate afweer.

Balans in afweer en besmetting
De parasiet kan de gastheer besmetten en de nieuw binnengekomen parasieten worden gedood door de opgebouwde afweer van de gastheer. Echter de volwassen parasieten zijn ongevoelig voor de afweer van de gastheer en overleven in de gastheer. Zo voorkomt de binnen gekomen parasiet dat de gastheer overbevolkt zou kunnen worden door nieuwe binnenkomende parasieten en mogelijk kan overlijden. Dit is niet in het voordeel van de gastheer noch van de parasiet.

Polyclonale stimulatie van immunoglobuline. De gastheer produceert zoveel niet specifieke IgE (immunoglobulinen) bij een invasie van een parasiet dat EN de mastcellen geen histamine loslaten en de niet specifieke IgE geen binding maken met de oppervlakte van de parasiet en deze kunnen doden. Zo beschermt de parasiet zich tegen de afweer van de gastheer en overleeft in de gastheer.

Het immuunsysteem van de gastheer is een mooi systeem. Vaak doodt het de parasiet of houdt het onder controle. Echter kan de afweer reactie ook uit de hand lopen en de gastheer beschadigen. We zien dat als bijvoorbeeld schapen door de mens geselecteerd worden die een goede afweer reactie hebben tegen een bepaalde worm. De nakomelingen van deze schapen kunnen een te effectief afweersysteem hebben en daardoor zelf beschadigingen oplopen van hun eigen uiterst gevoelige afweer als een parasiet binnenkomt. Een reactie die niet wenselijk is.
Ontstaan door menselijk ingrijpen in selectie processen om een betere afweer tegen parasieten bij dieren te krijgen. Zo is ingrijpen door de mens om een verbetering te krijgen omgeslagen in een nadelig effect.

Naast deze natuurlijke en geselecteerde afweersystemen worden ook vaccins ontwikkeld. Deze staan nog in de kinderschoenen.
Voor honden en katten zijn nog geen goede vaccins beschikbaar.

Je ziet dat het nog niet zo eenvoudig is om een ziekte op te lopen van een parasiet en de vraag is of we die ook altijd moeten voorkomen. Het evolutionair evenwicht is hierin enorm belangrijk. De moderne door de mens opgestelde samenleving heeft als resultaat dat te veel dieren en mensen op een kleine oppervlakte leven. Dit resulteert in een verhoogde infectiedruk. Wij moeten dus wel ingrijpen om geen hele grote parasitaire uitbraken te krijgen.
Je kunt het ook vanuit een evolutionaire bril bekijken. Zouden we niet ingrijpen dan komen grote parasitaire uitbraken voor die de te grote populatie weer naar een gezond niveau zal brengen. Zo reguleert de natuur zichzelf. Dat accepteren we echter niet en dus is de consequentie dat we een levenslange strijd tussen parasieten en bestrijding zullen blijven hebben.

Referenties:
Veterinary parasitology M.A. Taylor, R.L. Coop, R.L. Wall  Third edition 2013

 

Voedsel en klachten bij je hond of kat (Alimentair geïnduceerde aandoeningen)
 
Onder voedselintolerantie wordt verstaan een abnormale lichamelijke reactie op een voeding of voedingsadditief waarvan wordt aangenomen dat het niet immunologisch van aard is.
 
Mechanismen zijn onder meer voedseltoxiciteit, farmacologische reacties, metabolaire reacties, dysmotiliteit, dysbiose, fysieke effecten en niet-specifieke voedingsgevoeligheid. Voedselintolerante reacties zijn variabel, meestal dosisafhankelijk en kunnen zich op elke leeftijd voordoen.
 
Klachten bij je hond en kat kunnen zich op elk moment voordoen, soms enkele uren of dagen na consumptie van de betrokken voeding en kunnen uren of dagen aanhouden. Klachten die erbij horen zijn jeuk, chronische oorontstekingen, diarree en braken. Uiteindelijk artrose, spondylose en mogelijk kanker.
 
Correcte voeding voor je hond en kat is letterlijk een medicijn. Onze dierenartsen in CarniVoer hebben de missie je van de juiste informatie te voorzien, zodat de bezoeken aan een dierenarts tot een minimum beperkt worden.
 

Helaas lopen veel honden en katten suikerziekte op. Plots gaan ze veel plassen en drinken en kunnen vermageren.
De dierenarts doet dan een nuchtere bloedsuiker controle bij de hond of bij de kat en een fructosamine controle. Als de uitslag hoger is dan de referentiewaarden dan moet er ingegrepen worden.
Met een beetje pech moet je dan dagelijks insuline per injectie toedienen bij je dier en moet er ook een regelmatig leefpatroon worden gehandhaafd. De suikerspiegel in het bloed moet namelijk geen gevaar gaan geven.
Insuline wordt tekort gemaakt en moet extra worden toegediend.

Een heel gedoe. Hoe ontstaat nu suikerziekte?
Een overmaat aan glucose en tekort aan beweging zijn de voornaamste oorzaken. Het lichaam wil glucose in het bloed stabiel houden. Na een maaltijd met brok, of een andere voeding met veel koolhydraten (zijn suikers) stijgt de suikerspiegel enorm. Gezien het lichaam de suikerspiegel terug wil brengen in een veilige zone, stort de pancreas (alvleesklier) een overmaat aan insuline uit. Deze overmaat van insuline doet echter het tegenovergestelde en brengt de suikerspiegel in een te lage concentratie wat een gevarenzone kan geven.
Je hond of kat krijgt weer honger. Door de te lage suikerspiegel wordt er glucagon door de pancreas in de bloedbaan gestort. De glucagon doet de suikerspiegel weer stijgen. Zo blijft het Jo-Jo effect van de suikerspiegel dus bestaan.

Insuline resistentie
Een constant terugkerende hoge suikerspiegel kan leiden tot insuline resistentie. Een langdurig hoge suikerspiegel geeft het lichaam de prikkel om minder insuline receptoren in de cel te plaatsen. Er is immers voldoende insuline om het met minder receptoren af te kunnen. Parallel gaat de hoge insuline spiegel het teveel aan suiker omzetten in wit buikvet. Wit buikvet is niet gezond voor je hond en kat.
Dierenartsen komen tijdens een buikoperatie veel wit buikvet tegen. We zullen je de beelden besparen.

Nadelen wit buikvet
Wit buikvet heeft de eigenschap om door middel van chemotaxis witte bloedcellen aan te trekken en een laaggradige ontstekingsreactie te veroorzaken. Het immuunstelsel wordt aangezet gedurende een te lange tijd wat leidt tot beschadigingen door allerlei ontstekingsstoffen.
Deze situatie kan een hele lange tijd aanhouden zonder zichtbare klachten. Op een bepaald moment raken die beta cellen van Langerhans van de pancreas, die insuline produceren, uitgeput en stopt de insuline productie.
Deze uitputting van de cellen van Langerhans gaat gepaard met een aanval van de afweer die cellen kapot maakt. Nu kan de suiker niet meer de cel in en de overmaat aan suiker wordt in de urine uitgescheiden met water wat het meevoert waardoor het dier uitdroogt en meer gaat drinken.

Geen extra suikers nodig!
Glucose is een brandstof die enkel op momenten van nood gebruikt moet worden.
Glucose kan uitstekend gemaakt worden door het lichaam zelf. Het lichaam heeft vijf hormonen glucagon, adrenaline, cortisol, somatostatine en groeihormoon,die suiker kunnen maken uit vet en eiwit. En een hormoon dat suiker in de cel brengt (insuline).
Je hond en kat heeft die extra suikers in voeding helemaal niet nodig! Ze hebben immers genoeg hormonen om zelf snel glucose (de juiste vorm van suiker) aan te maken wanneer dat nodig is.

Glucose is enkel nodig voor noodsituaties waarin de hond en kat snel moeten kunnen reageren. Al het andere gedrag en bewegingen moeten worden opgelost door de verbranding van vetten en eiwitten.

Samengevat lopen honden en katten door verkeerde voeding met veel koolhydraten, een veel hoger kans op het ontstaan van insulineresistentie (diabetes type II) en suikerziekte (diabetes type I)

CarniVoer bevat geen snelle suikers en geeft daardoor een veel kleinere kans op deze problemen en op het ontstaan van buikvet.

Rest ons op te merken dat bewegen een niet te verwaarlozen onderdeel is om diabetes te voorkomen.

Enkele andere namen voor suikers (lijst beperkt tot wat men kan tegenkomen in diervoeding)

  • Koolhydraten
  • Zetmelen
  • Fructose
  • Glucose
  • HFCS
  • Maisstroop
  • Moutstroop
  • Sacharose
  • Vruchtensuiker

En de volgende ingrediënten kom je vaak tegen in honden voeding en iets minder in katten voeding. Ze bestaan uit koolhydraten en/of zetmelen.

  • Mais
  • granen (alle soorten)
  • Rijst (ongeacht witte of bruine rijst)
  • Aardappels
  • Bataat (zoete aardappel)
  • Aardpeer (topinamboer)
  • Pastinaak
  • Erwten of andere peulvruchten

OP DEZE THESIS ZIT ©

International College for Research on Equine Osteopathy

 

Commerciële en rauwe voeding bij de hond.
Osteopatische verschillen en verbanden tussen deze twee voedingswijzen.

De aangepaste, niet originele versie.

Niets uit deze thesis mag worden overgenomen op welke manier dan ook, tenzij de auteur, Erwin van Gijtenbeek DVM, uitdrukkelijk schriftelijk toestemming heeft gegeven ©

Deze thesis is opgesteld en aangeboden door dr. Erwin van Gijtenbeek dierenarts,
voor het behalen van het diploma osteopathie bij dieren aan het opleidingsinstituut I.C.R.E.O..
Promotor: Heleen Slebos, fysiotherapeute en osteopaat voor paarden en honden.

Mei 2009.

Voorwoord:

Als dierenarts ben ik altijd geïnteresseerd geweest in voeding bij dieren. Het is immers de brandstof en bouwstof van ons lichaam.

Verkeerde voeding kan naast allerlei andere oorzaken de reden zijn van een slecht functioneren van het lichaam.

Gelukkig heeft het lichaam een enorm zelfregulerend vermogen. Het kan dus vele negatieve gebeurtenissen aan zonder direct te overlijden. Een gebroken poot/been heelt, een virusinfectie kan het lichaam zelf herstellen en een wond geneest.

Ontstekingsreacties zijn reacties van het lichaam op een weefselbeschadiging. Ze zijn een normale reactie van het lichaam om te genezen. Een ontstekingreactie uit zich altijd in een roodheid van de aangetaste plek, een zwelling, pijn, warmte en een verminderde functie van de aangetaste plek.

Het lichaam zal dus op alle fronten de “homeostase”proberen te handhaven.

Aan dit zelfregulerend vermogen zit wel een grens. Als de grens overschreden wordt, ontstaat een ziekte. Als dit proces voortgaat kan het eindigen in neoplasie of zelfs de dood.

Om nu terug te komen op voeding, is het dus van belang dat het lichaam zo min mogelijk wordt vervuild. Efficiënte en kwalitatief goede voeding dus.

Momenteel zijn er twee voedingswijze voor honden. De commerciële vorm en de rauwe vorm. Het doel van mijn onderzoek is uit te zoeken welke osteopatische verschillen voorkomen tussen deze twee groepen honden. Als er blokkade verschillen bestaan, zijn die dan ook te verbinden aan de bloedresultaten gedaan bij beide groepen? Zijn er verschillen in residuen betreffende zetmeel, vet en eiwit in de ontlasting van beide groepen en zo ja wat heeft dit voor een osteopatische betekenis?

De vraag die ik wil kunnen beantwoorden is, welk voer er geadviseerd kan worden op grond van de osteopatische resultaten van dit onderzoek ?

Inhoud:

1: Inleiding

2: Commerciële voeding
a.   Geëxtrudeerde brok
b.   Geperste brok
c.   Diner
d.   Blikvoeding

3: Rauwe voeding
a.   Botten en vlees
b.   Organen
c.   Groente en fruit

4: Optimale voeding

5: Anatomie

6: Bezenuwing en relaties

9: Het onderzoek
a.    Uitvoering van het onderzoek
b.    Resultaten
c.    Discussie
d.    Bespreking resultaten
d1.  Bloed- en ontlastingsonderzoek
d2.  Osteopatische bevindingen en relaties
d3.  Ontlasting

10: Besluit / Summary

Literatuurlijst

Glossarium

Bijlage

 

1. Inleiding

Een gericht fokbeleid in vorm, kleur, grootte en karakter heeft tot alle nu bestaande hondenrassen geleid. Honden behoren tot de carnivoren*. Zoals zijn voorganger de wolf, zijn honden ingesteld op het eten van prooidieren. Commerciële hondenvoeding hebben wij mensen gemaakt, niet de hond. Een gericht fokbeleid op de adaptatie van commerciële voeding heeft niemand tot nu toe uitgevoerd.

In onze dierenartspraktijk is er een patiëntenverdeling van veertig procent commercieel gevoerde- en zestig procent rauw gevoerde honden. De commercieel gevoerde groep heeft meer klachten van het gebit, oren, huid, bewegingsapparaat, maag-darmstelsel en anaalklieren. Zouden er dan ook blokkade verschillen tussen deze twee verschillend gevoerde groepen honden kunnen zijn ? Totaal heb ik vijftig honden onderzocht. De helft commercieel- en de andere helft rauw gevoerd. Op alle honden heb ik de drie minuten test* uitgevoerd en de motiliteit* van de lever, darmen, en diafragma geïnventariseerd. De apertura thoracica cranialis* en het tongbeen heb ik buiten dit onderzoek gelaten. De reden is dat ik mij wilde beperken tot de voornaamste blokkades die in verband kunnen staan met de vertering. Naast dit osteopatische onderzoek heb ik bloed- en faecesmonsters afgenomen. Als er blokkade verschillen zouden zijn, wilde ik proberen aan te tonen of deze verbonden konden worden aan bepaalde afwijkende bloedwaarden. Een bijkomende vraag die bij mij opkwam is, of de gevonden blokkadeverschillen een verband kunnen hebben met de in deze alinea opgenoemde klachten, die meer in de commercieel gevoerde groep voorkomen.

Alle eigenaren van de deelnemende honden hebben een intake formulier moeten invullen. Zo kon ik beoordelen of een hond wel of niet kon deelnemen. ( zie bijlage.) De hond moet óf commercieel óf rauw gevoerd worden en dus niet beide voedingswijzen door elkaar. De leeftijd is tussen de vier en acht jaar oud. Mijn praktijkervaring heeft uitgewezen dat vier jaar een van de twee wijzen van voeren gebruikt te hebben, er voldoende zichtbare veranderingen ontstaan. Niet ouder dan acht jaar om ouderdomsklachten als spondylose of afwijkingen aan de interne organen te voorkomen. Deze zouden kunnen interfereren met het onderzoek.

Verder moeten de honden vrij van ontstekingsremmers, steroidaal of niet steroidaal zijn. Welk merk commerciële voeding heb ik buiten beschouwing gelaten. In de rauw gevoerde groep heb ik niet expliciet om een bepaalde stroming die binnen deze voedingswijze bestaat, gevraagd. Enkel rauw of commercieel gevoerd was van belang.

Uit de resultaten van deze inventarisering, wil ik de vraag kunnen beantwoorden welke voedingswijze aan hondeneigenaren geadviseerd kan worden, die voor de hond de minste storingen in het verteringsstelsel geeft en dus de minste osteopatische blokkades

Nu volgt een uiteenzetting van de verschillende voedingswijzen en productieprocessen van commerciële voeding.

 

2. Commerciële voeding

a. Geëxtrudeerde brok

Deze brokken zijn de krokante variant. Als je er druk op zet, breken ze uiteen. Het overgrote deel van de hondenvoeding bestaat uit deze variant. Als je de brok samendrukt hoor je het karakteristieke kraken. In water zet de brok tot vier maal de originele grootte uit en valt niet uit elkaar. Dit zie je in het braaksel van de hond vaak. Doordat de brokken slecht uiteen vallen zijn ze slechter bereikbaar voor de verteringsenzymen.

Het productie proces is een extrudatie. Op deze wijze worden de granen ontsloten en de celwand kapot gemaakt, zodat de hond de inhoud kan benutten. Het bestaat uit het samenvoegen van de noodzakelijke voedingscomponenten. Een eiwitproduct in de vorm van diermeel. Een vetbron van plantaardige- of dierlijke herkomst. De koolhydraatbron is afkomstig van granen. De vitaminen en mineralen van niet natuurlijke herkomst worden toegevoegd. De granen zijn het talrijkst aanwezig. Meer dat vijftig procent. De reden is dat zonder granen extrudatie niet kan plaatsvinden. Dit is de hoofdreden waarom het overgrote deel van de brok gevoerde honden aan overgewicht leidt.

Na deze samenvoeging van voedselcomponenten gaat het in een extruder. Dit is een grote metalen cilinder waarin zich een “worm” bevindt. Daar worden de nutriënten  onder hoge druk en een temperatuur van honderddertig graden Celsius door middel van deze “worm” richting een matrijs geperst. Deze matrijs kan allerlei vormen hebben, die het uiterlijk van het geproduceerde brokje bepalen. Zodra het brokje uit de matrijs komt, wordt het afgesneden door een circulerend mes en gaat het van een hoge druk naar de atmosferische druk. Hierdoor zet het brokje plots uit en krijgt het de uiteindelijke krokante vorm.

Onder de hoge druk en temperatuur vinden vele ongunstige processen op de voedselcomponenten plaats. Enkele van deze processen zijn, denaturatie*, hydrolyse*, oxidatie*, vorming van verbindingen tussen zetmeel en eiwit en zetmeel en vet. Na het extrudatieproces worden de brokken weer bespoten met aminozuren, vetten , vitaminen en mineralen ter compensatie van het verlies. Als stabilisatie worden er vaak conserveringsmiddelen aan toegevoegd. Ethoxyquine (E324), BHA (Butyl Hydroxyl Anisol E320) BHT Butylhydroxytolueen (E321). Geur-,kleur en smaakstoffen worden in vele gevallen toegevoegd om de opname van brok te bevorderen. Daarnaast is de brok compleet steriel geworden. Het bevat totaal geen bacteriën. Dus ook niet de positief aan de gezondheid bijdragende bacteriën.

De eisen op de verpakking van het brokvoer zijn beperkt. Een analyse, de houdbaarheidsdatum en de ingrediëntenlijst zijn vastgelegd als verplichte vermeldingen. Opmerkende dat de ingrediëntenlijst in volgorde van het meest aanwezige naar het minst aanwezige ingrediënt moet zijn opgemaakt. Alle overige tekst is aan de fabrikant overgelaten.

De hierboven vermelde extrudatie doet dus voedingscomponenten veranderen van structuur. Dit moet gevolgen hebben voor het verteringsproces binnen het maagdarm stelsel van de hond. Vele enzymen, actieve transporten, osmose ( zie blz. 51 ) en diffusie in verteringsprocessen verlopen daardoor minder efficiënt. De ontstane verbindingen tussen eiwit en zetmeel kunnen nadelig zijn voor de vertering. De lever wordt via de vena porta overladen met vele onnatuurlijke componenten die moeten worden omgebouwd tot natuurlijke stoffen, of tot excretie en secretie producten. De lever heeft dus extra werk. Vele stoffen worden niet opgenomen door het maagdarm stelsel, resulterende in volumineuze ontlasting bij deze vorm van voeding. Ethoxyquine, BHA en BHT zijn stoffen met bewezen carcinogene effecten. Humaan worden deze stoffen restrictief gebruikt. In commerciële diervoeders mogen deze stoffen nog steeds gebruikt worden. Het feit dat geur-, kleur-, en smaakstoffen worden toegevoegd om de honden aan het eten te houden is op zijn minst bedenkelijk.

 

b. Geperste brok

Dit is de tweede manier van brokproductie. Deze brokvorm is in de minderheid op de markt. De productie van deze soort brok is kostbaarder dan een geëxtrudeerde brok . De brok kenmerkt zich als een bikskorrel die je kan vinden in de paardenvoeding. De korrel is niet krokant en bij druk tussen je vingers valt de brok uit elkaar. In een glas met water valt de brok na een zekere tijd ook uit elkaar. Dit in tegenstelling tot de brok uit het extrudatie proces die enkel opzwelt.

Het productieproces is wederom het samenvoegen van alle voedingscomponenten. Het verschil met extrudatie is dat de massa verhit wordt tot rond de tweeënzeventig graden Celsius. Van overheidswege is dit verplicht. Pasteurisatie genaamd. Voedsel moet immers steriel zijn. Het overige proces is gelijkaardig aan het extrudatieproces. Vele bacteriën worden op deze wijze gedood. Wat ten koste gaat van de maag-darm fauna. De veranderingen van de voedselcomponenten zijn minder dan bij het extrudatieproces. Toch vindt verandering plaats die de opname en metabolisatie van voeding beperkt. Ook in deze voeding zitten veel granen. Een overgewicht bij de hond is dus te verwachten. De productie van deze brok leidt tot chemische veranderingen in de nutriënten en de ontlasting blijft volumineus. Wel minder als bij de vertering van een geëxtrudeerde brok.

Antioxydanten worden in deze voeding veel gebruikt in de vorm van vitamine E of C en selenium. Geur-, kleur- en smaakstoffen worden niet gebruikt. De reden is dat deze voeding veel van de originele geur en smaak heeft behouden, door de lagere temperatuur die in het productieproces gebruikt wordt.

 

c. Diner

Diners zijn opgebouwd uit droge graanvlokken en brokken die worden aangelengd met warm water. De gebruikte proteïne bronnen zijn vaak gluten of proteïne gels. Deze lijken sterk op stukjes vlees.

Ook deze voeding wordt geëxtrudeerd. Uiteraard is er weer veel verlies aan biologische beschikbaarheid van de voeding en is een overmaat aan granen aanwezig. Wederom een volumineuze ontlasting, omdat er veel onverteerbare componenten in zitten.

 

d. Blikvoeding

Deze voeding bestaat uit een mengsel van ingrediënten zoals vlees, vetten, zetmeel, vitaminen en mineralen en een overmaat aan vocht wordt gesteriliseerd, gepasteuriseerd of onder druk verpakt. Dit is afhankelijk van de pH* van de voeding. Groente, fruit en vis wordt over het algemeen onder hoge druk verhit en verpakt. Wederom gaat veel voedingswaarde verloren. De voeding is steriel zoals ook voor de diners en brokvoeding. Het steriel zijn van voeding is een eis die de overheid aan commerciële voeding stelt. Verhitting doet echter weer afbreuk aan de biologische beschikbaarheid van de voedingsstoffen.

De tweede manier van voeren is de rauw gevoerde hond. Botten, vlees, organen, groente en fruit wordt aan deze groep gevoerd. Ik ga in op de nutriënten, enkele verhoudingen en stromingen. Uiteraard worden niet alle voedingsfacetten van rauwe voeding in deze thesis besproken. Voor meer informatie verwijs ik u naar de literatuurlijst.

 

3.Rauwe voeding

a. Botten en vlees

Dit is het hoofdbestanddeel van de rauwe voeding. Zestig procent van de totale voedingsbehoefte. Het aandeel bot is gelijk aan het aandeel vlees. Dus vijftig procent van elk. Van belang is dat er geen dragende botdelen gegeven worden. Zoals een femur, een patella, een tibia of humerus. Deze zijn te hard en kunnen het gebit te vlot doen slijten. Ribben, borstbenen, wervels en schouderbladen met vlees zijn ideale delen om te voeren. Van vogels en klein wild kunnen alle botten met vlees gevoerd worden dus ook dragende delen. Bot vormt de ideale bron van calcium, fosfor en mineralen. De calcium fosfor verhouding* is altijd goed. Volledig in de natuurlijke niet bewerkte vorm. Enzymatisch dus goed verteerbaar. Het beenmerg bevat veel vitaminen ( A,D,E en K ) en mineralen en vetten. Gelijktijdig is het kauwen op bot een gebitsreiniging en geeft het honden een prettige sensatie. De hypothese is dat kauwen op een bot endorfinen en enkefalinen  zou vrijmaken in de hond. Deze geven de hond een rustgevend gevoel. Het vlees aan het bot is een perfecte eiwitbron, met ijzer en fosfor. Volledig in natuurlijke staat. Enzymen* van de hond passen vele malen beter op de niet gedenatureerde (= kapotgemaakte) eiwitten. Er vindt immers geen verhitting plaats. In vlees van een  prooi zitten proteolytische(=eiwitsplitsende) enzymen die meehelpen de vertering te volbrengen. De in de bloedbaan opgenomen micronutriënten komt in de lever terecht. De lever treft vele malen minder verontreinigingen en moeilijk omzetbare nutriënten aan. Biochemisch hoeft de hond veel minder arbeid te verrichten, dan bij commercieel voer. Het soort hond bepaalt wel wat voor een soort botten gevoerd kunnen worden. Kleine rassen en brachycephalen* hebben moeite met de wat hardere delen en kunnen beter gevogelte en klein wild eten. De verhouding vlees, bot verschilt ook van hond tot hond. Sommige honden constiperen licht van bot en zal voor die honden het botaandeel dus licht verminderd moeten worden.

 

b. Organen

De behoefte is rond de vijfentwintig procent. Organen die gebruikt worden zijn, hart, longen, strotten, testikels, nieren, alvleesklier, lever en vuile pens. Ze zijn de voedselbron van vitaminen, mineralen, vetten en eiwitten. Enzymen in deze organen helpen weer mee in de vertering. De inhoud van de pens geeft vele microscopische flora en fauna aan de hond. Deze hebben een belangrijke functie in de dikke darm. Ze helpen mee in het vormen van B en K vitaminen en stimuleren de immuniteit. Bovendien helpen ze mee in de fermentatie van voeding.

 

c. Groente en fruit

Dit aandeel is vijftien procent van de behoefte. Groente en fruit wordt voornamelijk opgenomen door carnivoren uit de maagdarm inhoud van de prooi die ze eten. Zo is de cellulosewand* al kapot en de inhoud van de plantencel beschikbaar voor de hond. Vitaminen, mineralen, eiwit en koolhydraten zijn het aanbod uit deze voeding. Van belang is het verbreken van de cellulosewand door te pureren om zo deze stoffen als voeding beschikbaar voor de hond te maken. Stoffen als pectine*, lignine* en cellulose krijgt de hond via deze voeding binnen en vormen een bron van voeding voor de fauna in de dikke darm. Prebiotica genaamd. Daarnaast stimuleert groente en fruit de darmperistaltiek en wordt stase van de voeding voorkomen. De hond heeft geen enzymen om cellulose te verteren. Bij de productie van kant en klaar vers vlees is het pureren van groente en fruit dus van belang. Ook honden die rauwe voeding krijgen in de ongemalen vorm, zoals hele botstukken met vlees en organen is het pureren van groente en fruit van belang.

 

4. Optimale voeding

De volgende vragen gelden zowel voor de rauwe- als de commerciële voeding. Wat versta ik onder een optimaal dieet? Is het van belang om elke dag een complete maaltijd te krijgen? Moet de maaltijd elke dag worden gegeven aan de hond of kunnen enkele vastendagen worden ingelast ?

Dit zijn vragen die mogelijk betrekking kunnen hebben op het ontstaan van viscerale blokkades.

Om deze vragen te beantwoorden, is het van belang, dat ik een definitie vind voor optimale voeding. Mijns inziens is dit een voeding die het efficiëntst verteerd en gemetaboliseerd wordt en alle noodzakelijke, biologisch beschikbare nutriënten levert, die door de lichaamscellen opneembaar zijn.

Verteren is het omzetten van voeding in het maag-darmstelsel tot stoffen die opneembaar in de bloed- of lymfebaan zijn Dit gebeurt onder invloed van de peristaltiek,enzymen en zuurtegraden. Voedingsstoffen moeten in een vorm aangeboden worden die door de enzymen worden herkent en kunnen functioneren in het “sleutel-slot” principe. Enzymen hebben een moleculaire structuur, die complementair moet zijn aan de voedingsstof waarop ze ingrijpen. De enzymen     (sleutel) moeten dus passen op de voeding (slot). Daarnaast functioneren enzymen enkel in een optimale pH waarde. Als dit zo is, vindt de juiste reactie plaats. Deze reactie kan bijvoorbeeld zijn het opsplitsen van de stof door het enzym in delen die opneembaar zijn door de darm. De opname door de darm kan in de vorm van actief- of passief transport plaatsvinden. Verder in de tekst zal ik deze processen uitleggen.

Metabolisatie is de stofwisseling in het lichaam, zoals in de lever, spieren, centraal zenuwstelsel en de huid. De door het maag- darmstelsel opgenomen stoffen worden via de vena porta (poortader) naar de lever getransporteerd. De lever metaboliseert deze stoffen tot allerlei substanties. Die op hun beurt via de bloedbaan naar de doelorganen getransporteerd worden. De lever kan deze aangeleverde stoffen enkel in hun optimale, originele, moleculaire vorm efficiënt gebruiken. De lever wordt zo minimaal belast. Het omzetten van onbruikbare stoffen tot excretie- en secretieproducten is een andere taak van de lever.

Als voeding in het bereidingsproces verhit wordt tot tweeënzeventig dan wel honderddertig graden Celsius, verandert de samenstelling van de nutriënten. Enzymen, actief- en passief transport en de metabolisatieprocessen in de cellen zullen nu in de problemen komen. Er is minder enzymatische complementarisatie. De voedingsstoffen passen minder goed, moleculair gesproken op de enzymen voor de vertering en structuureiwitten voor het transport naar de cellen. De voeding is lichaamsvreemder geworden. Dit zou een negatief effect kunnen hebben op het darmstelsel, de alvleesklier, de lever en de nieren.

De additieven als geur-, kleur- en smaakstoffen aangevuld met conserveringsmiddelen kunnen als ballast voor het verteringsstelsel worden bestempeld. Als ze opgenomen kunnen worden, moeten ze door de lever worden omgezet tot wateroplosbare afvalstoffen die door de nieren worden verwijderd. Dan spreken we nog niet over de eventuele mutagene effecten van deze stoffen.

En complete maaltijd wordt vaak geadviseerd. Alle nutriënten in de juiste verhouding. Als dit gegeven wordt, worden dan ook alle nutriënten door het lichaam benut? Als veel nutriënten gelijke enzymen en transportsystemen gebruiken, zal er competitie tussen de nutriënten ontstaan. Een logisch gevolg van deze competitie zal zijn, dat bepaalde nutriënten niet worden opgenomen. In dit theoretische geval zal een complete maaltijd dus op lange duur tot tekorten kunnen leiden.

Tenslotte wil ik de wijze van voeren van de hond nog bespreken. Dit geldt zowel voor de commercieel, als de rauw gevoerde groep. Een volwassen gezonde hond van een jaar of ouder kan één á twee dagen per week niet eten. De motivatie is dat het maag-darmstelsel zich volledig kan ontdoen van voeding die als ballast te boek staat. Daarnaast hebben de lever en alvleesklier en vele andere organen de tijd zich te herstellen en te herladen met enzymen. Uiteraard wordt de behoefte wel gedekt in de vijf á zes dagen, waarin de hond wel gevoerd wordt.

Veel honden worden ad libitum gevoerd. Het spijsverteringsstelsel is dus de gehele dag actief. Krijgt geen hersteltijd en wordt op deze wijze overprikkeld.

Eén á twee maal daags voeren op willekeurige tijdstippen is een methode om het Pavlov reflex uit de hond te halen. Het gastro-intestinaal reflex wordt zo enkel opgewekt als er daadwerkelijk voer wordt gegeven en niet als de hond is geleerd dat er over een half uur voer komt. Op deze wijze wordt  vermeden dat peristaltiek, maagzuurproductie, speekselen, openen van sfincters, secretie van gal en pancreas enzymen plaatsvindt zonder dat er voer verstrekt wordt.

Hieruit zou men kunnen concluderen dat compleet voeren in een aantal weken en rustdagen instellen van belang zijn om een optimale werking van het maag-darm- stelsel te krijgen. Overbelasting van organen door enerzijds het omzetten van onbruikbare nutriënten door de lever en anderzijds door een vierentwintig uur prikkelen van het gastro intestinaal reflex kan leiden tot overprikkeling van het maag-darmstelsel.

Deze uitleg betreffende optimale voeding acht ik van belang om met een duidelijke persoonlijke definitie deze thesis verder onder uw aandacht te brengen en de verdere tekst hiermee te verduidelijken.

In het volgende deel doe ik een uiteenzetting van de anatomie van het maag- darmstelsel. Ligging en anatomische verbindingen worden uitgelegd om de samenhang tussen verschillende organen te verduidelijken. Deze samenhang tussen organen verklaart dat storingen van één orgaan het ermee verbonden orgaan kunnen storen. Osteopatisch zijn er dus relaties.

 

5.Anatomie:

 

1.Mond:

De mond bevat tanden en kiezen en is ingesteld op het knippen van voedsel. Het malen van voedsel lukt eenvoudigweg niet door de grote hoektanden en het feit dat als de kaak volledig gesloten is de onderkaak tussen de bovenkaak sluit.

Foto 1 en 2

Zijdelings zicht en vooraanzicht van het hondengebit.

De mond heeft vier speekselklieren. Deze klieren produceren waterig en slijmig vocht. Dit speeksel heeft enkel en alleen een smeerfunctie. Voedsel wordt zo makkelijk ingeslikt.

De tong heeft smaakpapillen waarmee geproefd wordt. In de tong zitten gevoelige zenuwen die de smaak als de gevoeligheid van de tong regelen. Verder is de tong een spier. De functie van de tong is proeven, aftasten en slikken.

 

2. De keel:

De keel is de ruimte tussen de mond en luchtpijp/ slokdarm. Het is een ruimte die onbewust wordt bezenuwd en van een slijmvliesstructuur is. Het wordt niet gesteund door botstructuren wel door kraakbenige structuren.

 

3. De slokdarm:

De slokdarm of ook oesophagus genoemd heeft een transportfunctie. Voedsel en water wordt van de mond/keel naar de maag vervoerd. Het slikken is deels een bewust en deels een onbewust proces. In het begin van de mond tot het achterste van de tong is het bewust, van de tong en verder is het een onbewust proces. De hond kan er niet bewust invloed op uitoefenen. Over de luchtpijp ligt een klepje ( de epiglottis) welke sluit tijdens het slikken. Zo wordt verslikken voorkomen.

De slokdarm gaat door het middelste gedeelte van de borstkas heen. Het ligt ingebed tussen twee borstvliezen het mediastinum genaamd. Parallel aan de slokdarm loopt de nervus vagus. Dit is een belangrijke zenuw die onbewust veel informatie uit de borstkas en het maag-darmstelsel naar de hersenen vervoerd. Aangekomen bij het middenrif treedt de slokdarm en de nervus vagus erdoorheen. Direct onder het middenrif ligt de maag. Tussen de slokdarm en de maag ligt een sluitspier de cardia genaamd. Deze heeft als functie het voorkomen dat voedsel spontaan de slokdarm intreedt.

 

4. De maag:

De maag ligt verbonden aan de middenrif met een ligament. Via het kleine net ( omentum minus ) is de maag verbonden aan de lever. Het grote net ( omentum majus ) verbindt de maag aan de milt en de alvleesklier. De buur van de maag is de lever, alvleesklier, twaalfvingerige darm, het middenrif en de linker nier.

 

5. De twaalfvingerige darm (duodenum):

De overgang van de maag naar de twaalfvingerige darm wordt afgesloten door een sluitspier. ( de pylorus) . In de twaalfvingerige darm mondt de afvoergang van de alvleesklier en de galgang uit. Deze afvoerkanalen hebben in hun uitmonding in de dunne darm ook weer sluitspieren. ( sfincter van Oddi. ) In dit stuk dunne darm vindt dus een enorm belangrijk stuk van de vertering plaats. Wat hier ook plaatsvindt is een enorme verandering in zuurtegraad. In de maag is de zuurtegraad 1 á 2 en in de twaalfvingerige darm is deze 7. Dit is nodig voor een optimale werking van de verteringsenzymen. De twaalfvingerige darm is met het kleine net verbonden aan de lever. Loopt langs de rechterzijde naar het bekken waar het met een scherpe bocht weer naar het middenrif loopt. Zo heeft het contact met de dikke darm en de blinde darm.

 

6. Dunne darm (jejunum en ileum):

Verteringstechnisch gebeurt in dit stuk darm niet zo veel. Enkel de opname van verteerde voedselbestanddelen. Het geheel is opgehangen aan de onderkant van de wervels door middel van een tentvormig vlies. De radix mesentericus geheten. De dunne darm staat in contact met vrijwel alle structuren in de buik.

 

7. Blinde darm:

De blinde darm is een zeer kleine structuur op de overgang van de dunne, naar de dikke darm aan de rechter onderzijde van de buik. In tegenstelling tot herbivoren ( planteneters) heeft de blinde darm bij honden enkel een functie in de afweer. Bij herbivoren zoals het paard is de blinde darm een enorme gistingsketel van wel negentig liter.

 

8. Dikke darm:

De dikke darm begint rechts onder in de buik. Klimt op naar het middenrif en steekt hier over naar de linker zijde. Na de oversteek buigt de dikke darm zich weer om naar het bekken te lopen. Ze is met een vlies ( mesocolon) verbonden aan de rugzijde van de buik. De dikke darm ligt in contact met de dunne darm, twaalfvingerige darm, lever, maag, nieren en het geslachtsstelsel.

 

9. Rectum en anus:

Het rectum is het allerlaatste ( 10 centimeter ) deel van de dikke darm. Gelegen in het bekken en met een ligament (mesorectum) verbonden aan de bovenzijde van het bekken. Het rectum fungeert enkel en alleen als opslagplaats voor ontlasting. De anus bestaat uit twee sluitspieren. Een inwendige en een uitwendige. De inwendige functioneert onwillekeurig, de buitenste staat onder controle van de wil. Tussen de inwendige en uitwendige anaalsfincter bevinden zich de anaalkliertjes. Een links en een rechts. Deze kliertjes hebben een territoriale functie. Markering van het gebied. Ook bij angst worden ze geleegd om de aanvaller met de penetrante geur te verdrijven.

Dit was een korte en bondige uiteenzetting van het verteringsstelsel van de hond. In het volgende hoofdstuk ga ik in op de bezenuwing en het belang van de onderlinge contacten van de organen.

 

6. Bezenuwing en relaties:

Het zenuwstelsel bestaat uit een willekeurig en een onwillekeurig deel. Het willekeurig deel is het deel waar de hond controle over heeft. Het rennen, blaffen en uitschudden van een natte vacht zijn hier voorbeelden van.

Het onwillekeurig deel werkt buiten de controle van de hond om. Voorbeelden zijn, het kloppen van het hart, het groter en kleiner worden van de pupil en de vertering.

Dit onwillekeurig zenuwstelsel is onderverdeeld in twee delen:

1.     Het vecht en vlucht gedeelte (sympatisch)
2.    Het slaap en herstelgedeelte (parasympatisch)

Ik zal dit verduidelijken met een voorbeeld. Op het moment dat een dier schrikt en moet vluchten zullen de pupillen verwijden, de ademhaling neemt toe en de longen verwijden zich. De hartslag neemt toe en de spieren raken meer bebloed.

Dit alles gaat onder invloed van het sympatische zenuwstelsel. Onbewust dus.

Als het dier slaapt of rustig is, is het parasympatisch zenuwstelsel actief. De darmen zijn het meest doorbloed, de hartslag is rustig, de ademhaling is kalm. Dit zenuwstelsel zorgt voor herstel van het lichaam.

Beide autonome zenuwstelsels moeten met elkaar in evenwicht zijn.
De beide zenuwstelsels geven niet enkel informatie door aan de organen. Ook informatie van organen gaan naar het ruggenmerg en de hersenen.

Door gestoorde informatie vanuit een orgaan kunnen er blokkaden in de rug ontstaan. Een voorbeeld. Als de lever overbelast is zullen de sympatische zenuwen gestoorde informatie naar het ruggenmerg sturen. Door allerlei schakelingen komt deze sympatische informatie in de rugspieren. Daar geven ze aanleiding tot een samentrekking van de bloedvaten, een verhoogde spanning van de spieren, pijnlijke punten, meer zweten en rechtopstaande haren. In samenhang met deze blokkades ontstaat er ook een verminderde beweging van de organen en het middenrif. Ook de schedelplaten en het heiligbeen bewegen minder tot niet. De bevloeiing door bloed van de organen neemt ook af.

Dit alles leidt tot een ontregeling van het evenwicht (homeostase) van het lichaam. Afhankelijk van de tijdsduur kan dit leiden tot blijvende beschadigingen van het lichaam.

 

Neurofysiologie van het maag-darmstelsel

In dit deel worden de werking en bezenuwing ( centraal en lokaal ) van het verteringsstelsel besproken.

 

a. Hypothalamus

De hypothalamus is een groep kernen gelegen in een gedeelte van de  grote hersenen. Het diencephalon genoemd. Het diencephalon is fylogenetisch een van de oudste hersengedeelten. Het wordt volledig omvat door beide hemisferen van de grote hersenen. De hypothalamus bestuurt de hypofyse. De hypofyse reguleert deels door hormonen het maag-darmstelsel en het geslachtsstelsel. Oxytocine heeft o.a. een invloed op de peristaltiek van de darm. ACTH zorgt voor een hydrocortisol release uit de bijnierschors welke de gluconeogenese in de lever activeert. Thyroxine verhoogt het metabolisme in alle cellen en dus ook die van het maag-darmstelsel.

De hypothalamus ontvangt informatie van buiten het lichaam en vanuit het lichaam zelf. Het filtreert deze informatie en laat het door naar de grote hersenen en het verlengde merg. Het vormt een centraal deel in de hersenen betreffende de filtratie van externe en interne informatie en regelt  via efferente vezels of deze informatie doorgestuurd moet worden naar de betreffende gebieden in de grote hersenen, het verlengde merg of de hypofyse. De hypofyse regelt met de hormonen afgescheiden onder invloed van de hypothalamus, de endrocrinologische- en gynaecologische huishouding.

In het verlengde merg liggen belangrijke kernen van het autonome zenuwstelsel. De bloeddruk, hartslag, lichaamstemperatuur, honger en dorstgevoel worden vanuit hier bestuurd.

De hypothalamus regelt voor een deel de autonome besturing van het gehele maag-darmstelsel.

Hier zijn de kernen ( “principal nuclei of hypothalamus“) van de hypothalamus te zien. Aan de rechterzijde lopen de banen naar het verlengde merg. De adenohypofyse wordt via een bloedvaatstelsel benaderd door de hypothalamus. De neurohypofyse rechtstreeks door zenuwbanen vanuit de hypothalamus.

Enkele van de olfactorische zenuwen uit de neus lopen deels rechtstreeks naar de hypothalamus. Op deze wijze regelt de reuk van voedsel via de hypothalamus de benodigde autonome functies, noodzakelijk voor het in werking stellen van de vertering. We noemen dit ook het gastro-intestinaal reflex. Er ontstaat via de parasympaticus een vasodilatatie van het mesenterisch arterieel systeem. De maag en darmperistaltiek komen op gang door activatie van de nervus vagus. De nervus vagus (parasympaticus) opent de sfincter van Oddi, de ileocaecale klep* en regelt mede de maagzuursecretie. Het verteringssysteem is onder leiding van de hypothalamus gereed gemaakt om voedsel te gaan verteren.

 

b. Formatio reticularis en het limbisch systeem

De formatio reticularis is een neuraal gebied in de hersenen. Gelegen in het verlengde merg ter hoogte van de pons. Dit gedeelte heeft contact met de grote hersenen en via het ruggenmerg naar de cornu laterale*. Verder verzorgt dit systeem de pijn- en temperatuurzin. In dit gebied bevinden zich ook vitale autonome centra*, zoals de ademhaling, bewustzijn, het cardiovasculaire systeem* en functies van het maag-darmstelsel. Viscerale pijnen komen binnen via de radix dorsalis in de cornu laterale. In de cornu laterale klimmen de signalen op naar de formatio reticularis alwaar ze verwerkt worden of doorgezonden worden naar de hypothalamus.

De formatio reticularis kan deze signalen verder zenden naar onder andere de hypothalamus en het limbisch systeem waar ze geïnterpreteerd worden. Andersom komen autonome signalen vanuit de hypothalamus of de formatio reticularis via de efferente banen over de cornu laterale via de grensstreng naar de buikorganen. Het limbisch systeem heeft een gelijkaardige functie. Ook dit gedeelte van de hersenen verwerkt afferente informatie en in samenwerking met de hypothalamus en formatio reticularis verzorgt het de autonome functies in onder andere het maagdarm kanaal.

De hypothalamus, de formatio reticularis en het limbisch systeem zijn dus drie belangrijke autonome besturingscentra van het verteringsstelsel. Zij trachten de homeostase* in het lichaam te handhaven.

 

c. Mondholte

De vorm van het gebit is gemaakt om een prooi te vangen met de hoektanden. De prooi wordt heftig heen en weer geschud. Vaak breekt zo de nek van de prooi. Het verbrijzelen van de luchtpijp of arteria carotis is een andere mogelijkheid om de gevangen prooi te doden. Daarna worden delen van de prooi afgeknipt met het schaargebit en als geheel ingeslikt. Het speeksel wordt gevormd uit de parotis, de submandibulaire-, sublinguale,- en zygomatische speekselklier. De nervus glossopharyngeus ( IX ) innerveert de glandula parotis. De overige speekselklieren worden geïnnerveerd door de nervus mandibularis * (V)

In verhouding tot herbivoren produceren carnivoren weinig speeksel. Het speeksel bevat geen amylase*. Zetmeel wordt in de mond dus niet verteerd. Dit is wel het geval bij de mens. Naast een glad makende functie van het speeksel bevat het ook een antibacterieel enzym. Dit enzym heet lysozyme. De bek van de hond bevat vele bacteriën. Zolang dit een evenwichtige populatie is, ontstaat er geen pathologie in de mondholte. Lysozyme houdt binnen een bepaalde marge de evenwicht verstorende bacteriën weg.

De tong fungeert als sensibel, sensorisch en motorisch orgaan. De sensibele is om de prooi te betasten, de sensorische om de smaak op te nemen en de motorische om in samenwerking met het gebit, de kauwmusculatuur en de wangen het voedsel naar de pharynx te brengen. Het voorste gedeelte van de tong is sensibel geïnnerveerd door de nervus trigeminus (V), sensorisch door de nervus facialis. Het achterste gedeelte van de tong is sensibele en sensorisch door de nervus glossopharyngeus geïnnerveerd. De motorische innervatie wordt verzorgd door de nervus hypoglossus (XII) en de nervus mandibularis (V). De tongspieren worden hierdoor aangestuurd.

 

d. Oesophagus*

Voedsel wordt via het slikreflex naar de oesophagus getransporteerd. Dit transport is een reflex. Het is  verdeeld in een willekeurig deel en een onwillekeurig deel. Voedsel wordt via de tongbasis tegen het palatum durum geduwd en zo naar de pharynx vervoerd. Dit is een willekeurige reactie. De dwars gestreepte spieren van het palatum molle, pharynx en larynx worden geïnnerveerd door de nervus vagus (X). Uitgezonderd de musculus stylopharyngeus. Deze wordt verzorgd door de nervus glossopharyngeus (IX). Deze spier begint aan het stylohyoid* en eindigt aan de raphe pharyngis*. De overige spieren van de larynx worden geïnnerveerd door de nervus lanryngeus recurrens. Deze bestaat uit een linker deel en een rechter deel. Het linker deel is een afsplitsing van de nervus vagus(X) ter hoogte van de arcus aorta en het rechter deel is een afsplitsing van de nervus vagus (X) en loopt ter hoogte van de rechter arteria axillaris. Beide takken lopen naar boven in de groeve tussen de oesophagus en de trachea. De spieren van de gehemelte boog worden geïnnerveerd door de nervus glossopharyngeus (IX)*. Het gevormde speeksel heeft als functie het voedsel glad te maken, zodat het slikken vergemakkelijkt wordt.

Het tweede deel van het slikreflex is onwillekeurig. Neurologisch wordt dit verzorgd door de nervus glossopharyngeus (IX), en de nervus lanryngeus recurrens dexter en sinister.  Als het voedsel de keel is gepasseerd komt het tegen de larynx. Om te voorkomen dat voedsel in de trachea terecht komt, opent de oesophaguskop zich in een reflex. Dit opengaan wordt verzorgd door de beide musculi stylopharyngeus caudalis. Deze ontspringen aan het caudale derde van het stylohyoid en loopt naar de laterale zijde van de slokdarmopening. De oesophagus wordt bruusk naar craniaal getrokken door deze twee spieren.  De musculus cricopharyngeus ontspant zich en komt in een fractie van een seconde voor de tracheaopening* en neemt het voedsel op. Op hetzelfde moment wordt de epiglottis gesloten door ontspanning van de musculus hyoepiglotticus. Deze spier ligt tussen het ventrale deel van de epiglottis en het os hyoideum. Zo wordt voorkomen dat voedsel of vloeistof in de trachea terechtkomt. De elastische membranen die lateraal van de epiglottis naar het cartilago thyroidea lopen doen de epiglottis tegen de trachea sluiten.

Als het voedsel de oesophagus is binnengetreden sluiten de musculus cricopharyngeus en musculus thyreopharyngeus de ingang van de  slokdarm.

De oesophagus is volledig dwarsgestreept spierweefsel bij de hond en wordt geïnnerveerd door motorische takken van de nervus vagus(X). Het intrinsieke nerveuze stelsel in de oesophagus heeft een coordinatieve functie tussen de dwars gestreepte spieren en de glad gestreepte spieren bij de overgang van de oesophagus naar de maag. De nervus vagus (X) zorgt  ook voor de sensibele innervatie.

De situatie vóór het slikken. De oesophagus is nog dicht. De epiglottis nog open. Het palatum molle ligt nog onder de punt van de epiglottis. Zo is de ademweg vrij.

Op het moment van slikken. De ademhaling stopt. De epiglottis sluit de trachea (glottis) af en de oesophagus opent zich, zodat het voedsel de oesophagus kan binnenkomen. Peristaltische bewegingen van de slokdarm transporteren het voedsel vlot naar de maag.

De oesophagus* bevat twee sfincters*. De craniale is de musculus cricopharyngeus en de caudale is gelegen bij de overgang naar de maag, de cardia genaamd. Dit is een sfincter die de slokdarm van de maag kan afsluiten. Het correct afsluiten van de oesophagus is van belang. Voedsel uit de maag behoort verder de darmen in te gaan en niet retrograad de oesophagus te bereiken. Het maagzuur kan de binnenwand van de oesophagus beschadigen. Dit kan weer tot slikproblemen leiden door sympatische overprikkeling.

De sfincters zijn ook van belang met betrekking tot de ademhaling. Inspiratie geeft een negatieve intrathoracale druk. In de buik is de relatieve druk op dat moment hoger. Het voedsel in de maag (hoge druk gebied) zou dan retrograad in de slokdarm ( lage druk gebied) kunnen treden. Sfincters voorkomen dit.

 

 

e. Maag

 

De functie van de maag is het voedsel vermengen met de spijsverteringssappen en het als vloeibare inhoud op gecontroleerde wijze in de dunne darm af te geven.

Later in dit hoofdstuk ga ik in op de intrinsieke en extrinsieke regulatie van de maag als deel van het gehele maag-darm stelsel. Ook de lokale hormonen bespreek ik als onderdeel van het gehele verteringsstelsel.

De maag kan worden onderverdeeld in een proximaal deel ( fundus ) en een distaal deel ( corpus en antrum). Het proximale deel heeft een ontvangende en opstapelende functie. In het distale deel wordt het voedsel grondig met maagsap gemengd tot een homogene massa met vocht. Vloeibaar, homogeen voedsel leidt tot een oppervlaktevergroting van de voedselbestanddelen. De oppervlaktevergroting geeft de enzymen beter de gelegenheid om adequaat in te grijpen op het voedsel.  Verteringsproblemen kunnen zo vermeden worden.

Tijdens het ontvangen van voedsel vanuit de oesophagus neemt het volume van de maag toe. De maag van de hond kan enorm uitzetten. Van het diafragma tot aan het tuber coxae. Vele elastine vezels maagwand maken dit mogelijk. Het opstapelen van voedsel gaat gepaard met een adaptieve relaxatie van de maagwand. De intraluminale druk neemt niet toe. Het voedsel wordt in volgorde van binnenkomst vanuit de oesophagus in de fundus opgestapeld en hierna via de peristaltiek naar de pylorus gebracht.

Het mengen en kneden gebeurt deels mechanisch door de circulaire- en longitudinale gladde spieren van de maagwand en deels door chemische inwerking. Het laatste gebeurt door het zoutzuur en pepsine  afgescheiden in de maag. Zoutzuur wordt afgescheiden door de parietale cellen van de maagwand. Pepsinogeen door de hoofdcellen van de maagwand. De pH van de maag daalt door de zoutzuurproductie. Pepsinogeen wordt door deze lage pH omgezet in het werkzame pepsine.  De lage pH (1-2) en het pepsine breken de quaternaire, tertiaire en secundaire eiwitstructuren verder af tot enkelvoudige primaire ketens van aminozuren. Van een complexe eiwitstructuur naar een eenvoudige structuur. De peristaltiek in het distale deel van de maag (corpus en antrum) is van een hogere intensiteit dan in het proximale deel. Voedsel wordt gekneed en gemengd en naar de pylorus vervoerd. Daar aangekomen gaan enkel de vloeibaarste deeltjes door naar het duodenum en de grotere voedselpartikels worden door de pylorus tegengehouden en terug vervoerd richting fundus. Als dit voedsel door de pepsine, zoutzuur en peristaltiek dusdanig is verteerd en gemengd, wordt het alsnog door de pylorus doorgelaten naar het duodenum. De pylorus is een sfincter van spieren en fungeert als een poortwachter van het duodenum. Deze sfincter wordt autonoom gereguleerd.

Het zien, ruiken en proeven van voedsel leidt via het centraal zenuwstelsel ( gastro-intestinaal reflex) tot activatie van de vagale kernen in het verlengde merg. Deze activatie van de nervus vagus(X) resulteert in een voorbereiding van het gehele maag-darmstelsel op het ontvangen van voedsel. Dit wordt ook de cephalische fase van de vertering genoemd. Op het moment dat voedsel in de maag komt wordt de activiteit van de nervus vagus(X) geïntensiveerd door sensorische receptoren in de maagwand. Dit gaat met een positief feedback systeem. De peristaltiek van de maag staat onder controle van de nervus vagus(X).

Vagale stimulatie onderdrukt de musculaire activiteit van het proximale deel van de maag. Het distale deel van de maag wordt onder vagale stimulatie geactiveerd tot intense peristaltische contracties. Zo kan het proximale deel tijdens de voedselopname fungeren als depot en het distale deel het voedsel mengen, kneden en naar het duodenum transporteren.

Naast de neurologische beïnvloeding van de vertering zijn er ook lokale hormonen die een rol spelen. Een integraal hormonaal en neuraal systeem verzorgt het synchroon lopen van de maaglediging en de vertering in het duodenum. Het enterogastrische reflex genoemd. Gastrine wordt geproduceerd in G- cellen van de maag, duodenum en pancreas. Gastrine activeert op haar beurt de pariëtale cellen van de maagwand. Deze scheiden zoutzuur af. Als de pH tot een zuurtegraad van één is gekomen, wordt de afscheiding van gastrine gestopt. Een negatief feedback mechanisme dus. Een lage zuurtegraad (pH) , een hoge osmolariteit en een hoog vetgehalte zijn de prikkels die sensoren in het duodenum prikkelen tot een negatieve feedback naar de vagale kernen ( zie figuur 19 blz. 39 ) Op hun beurt geven die een negatief motiliteits signaal af aan de maag. Via dezelfde prikkels worden  secretine en cholecystokinine in het duodenum afgescheiden. Deze twee ( en andere ) hormonen remmen de maag motiliteit. Het gastric inhibitory peptide wordt in het duodenum geproduceerd als er veel koolhydraten in het duodenum aanwezig zijn. Dit hormoon heeft een negatieve invloed op de maag motiliteit en stimuleert de release van insuline. Zo wordt op een gereguleerde wijze voedsel aan het duodenum aangeboden. Tussen de maaltijden door worden minder makkelijk te verteren voedselbestanddelen met krachtige peristaltische golven het duodenum in getransporteerd. Zo wordt de maag uiteindelijk volledig geleegd.

Braken is een manier waarmee de hond zich beschermt tegen opgegeten vreemde voorwerpen of ingenomen giftige bestanddelen. Slecht verteerd voedsel wat het duodenum in niet optimale toestand bereikt, leidt ook tot braken.

Het braakcentrum ligt in het verlengde merg. Stimulatie van dit centrum gebeurt door mechanoreceptoren in de pharynx en larynx. Voedsel dat uit de pharynx of oesophagus wordt verwijderd via de mond, wordt regurgiteren genoemd. Chemo- en tensiereceptoren bevinden zich in de wand van de maag en duodenum. Prikkeling van deze receptoren leidt tot braken vanuit de maag en het duodenum.

Braken kan ook buiten het gastro-intestinaal systeem worden veroorzaakt. Naast het braakcentrum ligt de chemoreceptoren trigger zone. Allerlei stoffen en gif in het bloed kunnen dit centrum welke in contact staat met het braakcentrum prikkelen. De semicirculaire kanalen in het binnenoor die mede instaan voor het evenwicht kunnen via afferente vezels het braakcentrum bereiken. Braken is dus een niet specifiek symptoom en kan allerlei oorzaken hebben.

Biomechanisch gezien is braken een complexe neurofysiologische reactie. Vele efferente takken hebben hier een invloed op.

Het braken verloopt als volgt:

  • De pylorus sluit zich, de maag en de cardia ontspannen.
  • De intra abdominale druk neemt toe door het aanspannen van de buikspieren.
  • De intrathoracale druk daalt door een uitzetting van de borstkas en het sluiten van de epiglottis. Hierdoor daalt ook de druk in het thoracaal deel van de oesophagus.
  • De proximale oesophagale sfincter opent zich en de opgebouwde drukken ontladen in combinatie met antiperistaltische bewegingen van duodenum, maag en oesophagus.

 

f. Dunne darm

De motiliteit in de dunne darm bestaat uit twee soorten. Motiliteit tijdens de digestieve fase* en tijdens de inter-digestieve fase.

Tijdens de digestieve fase is er een propulsieve en niet propulsieve fase.

De niet propulsieve fase is een segmentatie van de dunne darm. Gelokaliseerde contracties van de circulaire spieren van de dunne darm treden op. Om de drie a vier centimeter bevindt zich een constrictie. Deze vindt kort en plots plaats en elke keer in een ander deel van de dunne darm. Het intensief mengen van voedsel en spijsverteringsappen is het doel van deze beweging.

=De propulsieve fase bestaat uit langzame peristaltische golven van contracties. Deze beweging duwt het voedsel langzaam door de dunne darm heen richting caecum en colon.

De inter-digestieve fase ligt tussen twee maaltijden. Deze fase wordt door de dunne darm gebruikt om tot rust te komen en zich te ledigen. Kenmerkend zijn de lange krachtige peristaltische golven over de gehele lengte  tot aan het caecum.

Het tweede belang van deze inter-digestieve fase is een goede verdeling van de bacteriële kolonisatie te behouden. Het duodenum bevat een gering aantal bacteriën en deze nemen toe naarmate het colon wordt bereikt. Deze darmfauna is van cruciaal belang.

·         Ze verteren onverteerde resten als kraakbeen en plantaardige materialen.

·         Ze produceren vitamine K en enkele B vitaminen.

·         Ze stimuleren de afweer.

·         Ze reduceren obstipatie.

Gezien met elke ontlasting darmbacteriën verdwijnen, moet het voedsel bacteriën bevatten om een evenwichtige handhaving te realiseren.

 

g. Caecum en colon

In de overgang van ileum naar het colon bevindt zich het caecum. Het heeft een zeer geringe afmeting en de functie in de vertering is onbeduidend. De ileocaecale sfincter heeft een poortwachter functie. Voedsel wordt doorgelaten naar het colon en retrograde beweging wordt voorkomen. De sfincter fungeert als een overdruk klep. De klep sluit de toegang naar het ileum af als de druk in het colon groter wordt. De klep wordt door het autonome zenuwstelsel bestuurd.

De functie van het colon is drieledig:

  • Absorptie van water en elektrolyten
  •  Opslag van ontlasting
  • Fermentatie van voedsel dat aan de vertering en absorptie in de dunne darm is ontsnapt

Fermentatie van voedsel is bij de hond van minder belang.

Vanuit het intrinsiek neuraal mechanisme* in de wand van het colon ontstaan elektrische impulsen die de gladde spieren aansturen. Antiperistaltische golven zijn bedoeld om het voedsel te mengen en te kneden. Peristaltische golven vervoeren het voedsel richting de anus. De antiperistaltische golven gaan gepaard met krachtige contracties van de circulaire spieren. Zo ontstaan regelmatige circulaire insnoeringen van de colonwand. Haustrae genaamd. Deze haustrae hebben een knedende functie. De pacemaker van deze peristaltiek zit op de overgang colon ascendens naar colon transversum.

 

h. Rectum en anus

Voedsel dat ingedikt is en aankomt in het laatste deel van het colon wordt verder het rectum in geleid. Het rectum is de laatste tien centimeter van het colon. De nervi pelvini vanuit het sacrum zorgen voor de innervatie van het rectum. Aan het eind van het rectum ligt de inwendige anaalsfincter geiinerveerd door dezelfde nervi pelvini. Als een onwillekeurig reflex relaxeert de inwendige anaalsfincter zich bij aankomst van ontlasting. De uitwendige anaalsfincter is geiineveerd door de willekeurige nervi pudendi. Zo is het mogelijk bewust zich van ontlasting te ontdoen.

 

i. Lever

De lever heeft een secreterende en excreterende functie binnen het verteringsproces in de darm. Dit is de gal secretie. Gal wordt in de lever gevormd door de hepatocyten. Via de kleine galgangen wordt de gal via steeds grotere afvoergangen naar de galblaas vervoerd. De galblaas is een reservoir die geleegd wordt als er voedsel in het duodenum komt. Onder invloed van het cholecystokinine opent de sfincter van Oddi zich en wordt de gal in het duodenum geleegd.  Ook staat deze sfincter onder invloed van  de parasympaticus en sympaticus.

Gal bestaat uit water, galzuren, bilirubine en cholesterol. De functie van gal in de darm is het verkleinen van vet in kleine partikels. Na deze verkleining worden van deze vetdruppels micellen gemaakt. Een micel is een door gal verkleint stuk vet omhuld met fosfolipiden Het is een zeer kleine korrel die zowel hydrofiel als hydrofoob is. De reden van deze verkleining is dat een micel de chemische eigenschappen heeft om zeer dicht bij de darmwand te komen. Zo kan de darmwand de micel opnemen. In de enterocyt van het jejunum wordt de micel omgezet tot chylomicron. Deze chylomicronen zijn te groot om in de capillairen te geraken. De weg die ze doorlopen is via de enterocyt de lymfebaan in. Van de kleine lymfebanen geraken ze in de ductus thoracicus*. Deze loopt door het hiatus aorticus van het diafragma door de thorax naar de vena jugularis communis sinistra. Op deze wijze komt het vet via de lymfebanen in de bloedbaan terecht.

De door de lever gesecreteerde galzuren komen in de dunne darm terecht. Daar wordt het overgrote deel van de galzuren via de vena porta  weer door de lever opgenomen. Zo worden ze gerecycleerd en nogmaals gebruikt in het verteringsstelsel.  Dit heet de entero-hepatische kringloop.

De lever heeft verder nog vele andere functies.

Het onschadelijk maken van schadelijke stoffen. Deze schadelijke stoffen worden omgezet tot stoffen die water- dan wel vetoplosbaar zijn. De wateroplosbare stoffen worden via de nieren uitgescheden. De vetoplosbare stoffen worden via de gal naar de dunne darm vervoerd. Via de ontlasting verlaten deze stoffen het lichaam.

Glucose wordt gemaakt uit aminozuren, lactaat of glycerol. Glucose wordt omgezet tot glycogeen en opgestapeld in de lever. Het glycogeen kan weer worden afgebroken tot glucose. Zo bevat de lever een kleine reserve aan energie die snel kan worden aangesproken. In de lever wordt cholesterol en vet gemaakt. Cholesterol is de basis voor vele hormonen als oestrogenen, testosteron en progesteron. Het vet vormt een basis voor de aanmaak van onder andere lipiden van de celmembranen en dient als brandstof.

Circulerende hormonen zoals onder andere insuline, glucagon en geslachtshormonen worden in de lever afgebroken.

De bloedstolling vindt plaats door verscheidene stoffen, stollingsfactoren genaamd. Al deze factoren vormen een rol in de stolling en geen van deze stoffen mag ontbreken. De lever produceert deze stollingsfactoren. Zo is de lever van cruciaal belang in de bloedstolling.

De afbraak van hemoglobine* tot bilirubine welke weer in de gal terecht komt.

Het eiwitmetabolisme neemt in de lever ook een belangrijke plaats in. De omzetting van de opgenomen aminozuren tot structuur, transport en afweer eiwitten. De productie van albumine. Een belangrijk eiwit dat vele stoffen aan zich koppelt en zo door het bloed naar het doelorgaan vervoert.

Eiwitten worden op vele plaatsen in het lichaam verbrand. Bij deze verbranding vindt er productie van ammoniak plaats. De lever zet dit ammoniak om in ureum. Het ureum wordt via de bloedbaan naar de nieren vervoerd en daar verlaat ureum via de urine het lichaam.

De lever verzorgt de opslag van vitaminen en mineralen. Vitamine A kan door de lever gemaakt worden uit carotenen. Carotenen zijn de precursors*. Deze bevinden zich in wortelen en plantaardig vet.

De lever heeft buiten de productie van eiwitten voor het immuunsysteem een eigen verdedigingssysteem . Die systeem wordt het reticulo endotheliaal systeem (RES) genoemd. Het bestaat uit afweercellen als macrophagen en monocyten en Kupfferse cellen. Deze cellen worden gevormd in het beenmerg en rijpen in de milt. Vandaar trekken ze naar de lever. In de lever migreren ze door het gehele orgaan. Alle vreemde bacteriën, virussen en tumorcellen worden door het RES gefagocyteerd en zo onschadelijk gemaakt en afgevoerd.

 

j. Pancreas

Dit verteringsorgaan bestaat uit een exocrien deel en een endocrien deel.

Het endocriene deel produceert insuline en glucagon in de eilandjes van Langerhans. Insuline wordt in de bloedbaan uitgescheiden en heeft een functie op de bloedsuikerspiegel. Glucagon wordt uitgescheiden als er een lage glucose spiegel in het bloed is en zorgt voor een stijging van de glucosespiegel. Somatostatine hormoon o.a. afgescheiden door de delta cellen van de pancreas remt de afgifte van het groeihormoon uit de hypofyse en remt de afscheiding van cholecystokinine, secretine en gastrine. Het remt tevens de gladde spiercellen van het maag-darmkanaal. Buiten de pancreas wordt dit hormoon ook op andere plaatsen gevormd, zoals de maag en hypothalamus.

Het exocriene deel is het overgrote deel van de pancreas. Het bestaat uit klieren die spijsverteringssappen en natriumbicarbonaat uitscheiden. De spijsverteringssappen bestaan uit de volgende enzymen:

– Trypsine                                                   – Amylase

– Chymotrypsine                                       – Lactase

– Elastase                                                    – Lipase

– Carboxypeptidase A                              – Sucrase

– Carboxypeptidase B                              – Maltase

Deze enzymen zijn structuurspecifiek. Dit wil zeggen dat een enzym als een sleutel in een slot past. De aangeboden voedingsstoffen die door het enzym moeten worden verteerd, hebben een speciale structuur die exact op het enzym past. Enkel op deze wijze kan het enzym optimaal zijn werk doen. Voedingsstoffen die een afwijkende vorm hebben zijn slechter tot niet omzetbaar door deze enzymen.

De natriumbicarbonaat buffert de zure maagsappen die het duodenum binnenkomen. Zo stijgt de pH tot ongeveer zes a zeven. Dit is de optimale pH voor de werkzaamheid van de verteringsenzymen van de pancreas.

De enzymen verteren eiwit, zetmelen en vetten. Ze bevinden zich in de pancreas als precursors*. Dit zijn enzymen die niet actief zijn. Precursors moeten geactiveerd worden. Dit gebeurd vaak net buiten de pancreas in het lumen van het duodenum door andere stoffen en zuurtegraden. Zo wordt voorkomen dat de pancreas door eigen enzymen wordt verteerd.

 

De secretie omvat drie fasen.

De eerste fase is wanneer voedsel wordt opgemerkt door de reuk of zicht en een gastro intestinaal reflex geeft. Via de nervus opticus(II)* en olfactorius(I)* worden vagale kernen* geactiveerd. Deze vagale kernen geven neurologische stimulatie aan de pancreas om tot secretie van enzymen en bicarbonaat over te gaan. Dit is de cephalische fase.

De tweede fase is de gastrische fase en bestaat uit de uitrekking van de maagwand. Dit geeft prikkels aan de nervus vagus. Deze zenuw activeert de pancreas tot secretie.

De derde fase is de intestinale fase. Voedsel vanuit de maag komt in het duodenum. Het duodenum zet daardoor uit. Dit uitzetten leidt door lokale neurale reflexen via de nervus vagus tot pancreas secretie. Peptiden ontstaan uit de vertering in de maag en vet leiden tot de duodenale secretie van cholecystokinine. Een lage pH geeft een secretine release uit het duodenum. Beide hebben een remmend effect op de maaglediging en een stimulerend effect op de pancreas secretie.

In het volgende deel bespreek ik de regulatie van het maag-darmstelsel door zowel het zich in de darmwand bevindende autonome zenuwstelsel als de lokale hormonen.

7. De regulatie van de gastro-intestinale functies

 

Het maag-darmstelsel wordt op twee manieren gereguleerd.

 

–>  Het centraal en perifeer zenuwstelsel en de bijbehorende hormonen.
1.    hypothalamus
2.    hypofyse
3.    formatio reticularis
4.    limbisch systeem
5.    nervus vagus
6.    truncus sympaticus
In de hiervoorgaande hoofdstukken zijn deze systemen besproken.

 

–> Een intrinsiek nerveus en endocrien stelsel.
1. een autonoom zenuwstelsel in de maagdarmwand.
2. lokaal in de maagdarmwand geproduceerde hormonen.

 

Deze intrinsieke regulatie is uniek voor het maag-darmstelsel. Dit nerveuze en endocriene systeem is gelegen in de maagdarmwand zelf. Het reguleert de functies van het maag-darmstelsel autonoom op basis van lokale invloeden. Het type en de hoeveelheid voer bepaalt welke lokale neurale dan wel lokale endocriene reacties er worden opgeroepen.

 

De coördinatie tussen deze twee besturingssystemen is zeer intens verweven met elkaar, zodat een optimale coördinatie van het maag-darmstelsel ontstaat. Dit is van cruciaal belang, omdat vertering gepaard gaat met mobiliteit, motiliteit en chemische reacties van de betrokken organen. Als deze niet optimaal op elkaar zijn afgestemd, dan kan de vertering in het gedrang komen.

 

Een te snelle maaglediging in het duodenum bespreek ik als voorbeeld. Als de vrijgekomen hormonen cholecystokinine en secretine uit het duodenum niet op tijd vrijkomen, zal de maaglediging door blijven gaan. Er komt een door de maag onvolledig voorbereide voedselmassa in het duodenum. De vrijgekomen enzymen uit de pancreas kunnen de hoeveelheid voedsel niet aan. De zuurtegraad zal te laag zijn. Hierdoor is de werking van de pancreas enzymen niet optimaal. Het voedsel zal dus onvolledig worden verteerd. De overmaat aan onverteerde voedselresten komt uiteindelijk aan in het colon. In het colon zullen de bacteriën te veel onverteerd voedsel ontvangen. Hierdoor kan er een verschuiving in het evenwicht van de bacteriën ontstaan. Het uiteindelijke resultaat kan diaree zijn.

 

Het intrinsiek nerveus en endocrien stelsel ligt in de darmwand. In de serosa van de darmwand ligt de plexus van Auerbach, tussen de circulaire en longitudinale spierlaag ligt de plexus van Meissner en in de submucosa ligt de plexus van Cajal. Deze plexi bestaan uit een netwerk van aan elkaar verbonden neuronen. Ze kunnen worden beschouwd als de “hersenen” van de darmwand. Het intrinsiek nerveus systeem krijgt afferente* informatie van de mechanoreceptoren en chemoreceptoren. De mechanoreceptoren reageren als de darm uitzet, de chemoreceptoren reageren op chemische substanties in het darmkanaal. De reacties van deze receptoren kunnen variëren in een stimulatie of remming van de gladde spieren in de darmwand, een stimulatie, of remming van klieren in de darmwand, of het registreren van een pijnprikkel.

 

De prikkeloverdracht van zenuwcel naar zenuw- of effectorcel gebeurt door peptiden en enkele non-peptiden.

 

Chemoreceptoren                  :        reageren op substanties in de darm
Mechanoreceptoren              :        reageren op uitzetting van de darm
Motor vezels                              :         stimuleren de gladde spieren tot contractie
Zenuwen naar kliercellen     :        activeren klieren tot secretie
Varicosities                                :        zijn de uiteinden van intestinale intrinsieke zenuwen
                                                                 Hieruit worden stoffen uitgescheiden die een
                                                                 effect hebben op een klier of gladde spiercel

 

Het intrinsiek neuraal systeem van de darm krijgt dus informatie van stoffen in het darmlumen, over uitrekking van de darm, informatie van verderop gelegen neuronen van het intrinsiek systeem, hormonen van het centraal zenuwstelsel en hormonen van de darmwand zelf.

 

Als laatste is er verbinding met het sympatisch zenuwstelsel via postganglionaire zenuwvezels en preganglionaire sympatische vezels.  Zo is er een wederzijdse interactie met de darm en het centraal zenuwstelsel.

 

Het intrinsiek endocrien systeem is een systeem dat de maagdarm functies door middel van lokale hormonen reguleert. Deze hormonen worden door darmspecifieke cellen geproduceerd.

 

Tot deze hormonen behoren:
  • Gastrine
  • Secretine
  • Cholecystokinine
  • Gastric inhibitory peptide
  • Motiline.
  • Substance P
  • Somatostatine
Hormoon
Productie
Werking
Inductie
Gastrine
Distale deel van de maag
Stimuleert zuursecretie in de maag
Stimuleert maagperistaltiek
Proteïne in de maag, een hoge maag pH, vagale stimulatie
Secretine
Duodenum
Stimuleert de bicarbonaat secretie vanuit de pancreas en galsecretie uit de lever. Remt de maag bewegingen.
Zuur in het duodenum
Cholecystokinine
Duodenum tot het ileum
Stimuleert pancreas secretie en remt maaglediging
Proteïne en vet in het duodenum
Gastric inhibitory polypeptide
Duodenum en bovenste deel jejunum
Remt de maagbeweging en –secretie
Stimuleert insuline release.
Koolhydraten en vet in het duodenum
Motiline
Duodenum en jejunum
Reguleert de darm bewegingen tussen de maaltijden
Acetylcholine
Tabel 1: ( Bron: Veterinary physiology G. Cunningham / G. Klein )
Overzicht van de voornaamste endocriene maagdarm hormonen

 

Naast de invloed van het centraal zenuwstelsel, het intrinsieke nerveuze systeem en de endocriene hormonen heeft het immuun stelsel van het lichaam ook een activerende of inhiberende invloed op het maag-darmstelsel. Het immuun apparaat in het maag-darmstelsel is enorm uitgebreid. De overgrote meerderheid van de immuuncellen bevindt zich in de wand van het maagdarm stelsel. De inhoud van het maag-darm kanaal is buitenwereld en bevat vele virussen, bacteriën en mogelijk schadelijke chemische stoffen. De afweercellen zorgen ervoor dat deze lichaamsvreemde stoffen niet in het lichaam kunnen komen. Zo voorkomen ze verdere schade aan  inwendig gelegen organen.

 

Als reactie op bijvoorbeeld een schadelijke bacterie mobiliseren zich vele afweercellen. Deze produceren neutraliserende- en opsoniserende* antistoffen. Daarnaast scheiden ze ontstekingsmediatoren af als prostaglandines, histamine, cytokines en vele andere stoffen. De uitgescheden mediatoren werken in op het intrinsiek nerveus systeem en de gastro-intestinale endocriene cellen. Dit kan resulteren in een toegenomen peristaltiek en secretie van vloeistof, zodat de bacteriën sneller worden afgevoerd in de vorm van diarree.

 

Op deze wijze integreren de twee systemen in elkaar en zorgen ze voor een delicaat regulatie mechanisme van het maag-darmstelsel.

 Tabel 2:
Overzicht van de input, integratie en output in het maag-darmstelsel

 

8. De vertering en absorptie van de opgenomen voeding

 

Opgenomen voeding moet een vertering ondergaan wil het kunnen worden opgenomen in de bloedbaan of lymfe. Dit gebeurt mechanisch en chemisch.

 

Het mechanische deel begint met het kauwen door de mond. Het gebit breekt het voedsel in kleinere stukjes. Op deze wijze wordt het voedsel zo klein dat het door de slokdarm kan en de oppervlakte van het voedsel wordt zo vergroot.

 

In de maag vindt door de peristaltiek en chemische inwerking verdere verkleining van het voedsel plaats.

 

Het is van belang dat voedsel zo klein mogelijk wordt. De oppervlaktevergroting die hierdoor ontstaat, geeft enzymen meer ruimte om in te grijpen op het voedsel en leidt tot een efficiëntere vertering. Een slecht functionerend gebit of een maagprobleem kan de mechanische vertering belemmeren. De chemische vertering gebeurt door pepsine en het zoutzuur in de maag. In het duodenum nemen de pancreasenzymen en de gal deze vertering over. Storingen in deze organen leiden tot een verminderde chemische vertering.

 

Op het oppervlak van de darmcellen bevinden zich ook enzymen die het voedsel nog verder verteren.

 

Voedsel moet dus worden afgebroken in stukjes die zo klein zijn dat, ze door de darmwand kunnen worden opgenomen en in het bloed of lymfe terechtkomen. Dit heet absorptie.

 

Figuur 24: ( Bron : Schets auteur )
Een dwarsdoorsnede door de darm waarin voedsel wordt opgedeeld in moleculen

Rode strepen zijn bloedvaten en/of lymfevaten.

 

Vertering en absorptie van voedsel zijn dus aparte processen, die wel met elkaar in verband staan.

 

De opname van de ontstane moleculen vindt plaats door twee processen:
  • Osmose
  • Actief transport

 

Osmose is een opnameproces waar voornamelijk water gebruik van maakt. Osmose is het transport van een component van een hoge concentratie naar een lage concentratie van die component door een semipermeabele membraan (groen) De membraan is dus enkel doorlatend voor de watermoleculen ( blauw) en niet voor de overige (paars). Het netto resultaat is dat er water van de rechterkant van de groene stippellijn naar de linkerkant gaat.

 

Figuur 25: ( Bron: schets auteur )
Schematisch overzicht van een osmotisch proces

 

Het actieve transport is een methode die op verschillende manieren kan plaatsvinden. Enkele manieren zal ik belichten.

 

Een manier van actief transport is door middel van een carrier. Hierbij wordt de voedsel molecuul gebonden aan een eiwitstructuur ( carrier ) in de celwand. Deze carrier brengt de molecuul in de cel.

 

Een andere manier is door middel van een elektrische gradiënt die tussen het lumen van de darm en de celwand bestaat. Elektrische krachten brengen het voedselmolecuul in de cel. De natrium kalium pomp heeft hierin een belangrijke rol de elektrische verschillen wederzijds van de celwand constant te houden.

In het kader van de thesis wil ik niet ingaan op de verdere details van deze mechanismen. Mijn bedoeling is te belichten dat voedsel aan hele specifieke eisen moet voldoen, wil het op een efficiënte wijze opgenomen worden in de bloed- en lymfebaan.

Na de opname in de bloedbaan wordt voedsel verder getransporteerd naar de lichaamscellen. Daar vindt verdere omzetting en verbranding plaats. Ook in dit traject passen de verantwoordelijke stoffen( enzymen) als een sleutel in een slot op de voedselmoleculen. Als dit niet zo is, zal de verbranding en omzetting van de voedselmoleculen hieronder lijden en zullen de organen relatief overbelast worden.

 

Al deze vormen van transport en uitwisseling van stoffen aan de darmcellen, aan de bloedbaan, aan het darmlumen en aan de cellen in het lichaam leiden ertoe dat er concentratieverschillen in elektrolyten kunnen ontstaan. Dit verstoort de homeostase waardoor er orgaanproblemen kunnen ontstaan. Het lichaam zal dus alles in het werk stellen om deze ontstane verschillen vlot weer te herstellen in de oorspronkelijke toestand. Dit doet ze onder andere met de natrium kalium pomp.

 

Als laatste wil ik ingaan op de veneuze bloedstroom van de darm naar de lever. Deze flow van veneus bloed door de vena porta wordt geïnduceerd door een verschil in bloeddruk tussen de darm- en de levercapillairen. De stuwende kracht van het hart is verdwenen in het grote capillaire bed van de darmwand. De lever heeft de druk in de capillairen verminderd door sinusoïden en een relatieve verbreding van het lumen van de capillairen in de lever. Zo kan het bloed van de darm van een relatieve hoge druk naar een lage druk stromen.

 

Het bloed uit de lever stroomt rechtstreeks via de vena hepatica, de vena cava caudalis in. De vena cava is een groot bloedvat. Daardoor is de druk nog minder en zal de flow van bloed verder gaan. De vena cava caudalis gaat door het diafragma de borstholte in. Door de in- en uitademing is er een wisselende negatieve en positieve druk in de borstholte. Dit heeft een alternerend effect op de bloeddruk in de vena cava caudalis en zo weer op de afvoer van bloed uit de lever en het maag-darmstelsel. De vena cava caudalis mondt uit in de borstholte in het rechter atrium van het hart.

 

Stuwing van bloed kan veroorzaakt worden door een rechter hartfalen, longaandoeningen, en leveroverbelasting. Deze mogelijke oorzaken comprimeren de vertering.

 


Figuur 26: ( Bron: schets auteur )
Overzicht drainagegebied van de veneuze afvoer van bloed uit het maag-darmstelsel

 

Een goede mechanische en chemische verwerking van het opgenomen voedsel is van belang voor een optimale opname door het darmstelsel van voedsel. Op moleculair niveau moet het verteerde voedsel passen op allerlei structuren in de cel en op verteringsenzymen.

 

In alle vorige hoofdstukken heb ik de anatomie, fysiologie, regulering en vertering besproken en de samenhang tussen deze systemen. Dit vormt de basis van het onderzoek, dat ik gedaan heb onder vijftig honden.

 

In het volgende hoofdstuk zal ik het onderzoek beschrijven, de bevindingen geven en een uitleg geven aan de gevonden bevindingen en hun relaties.

 

9. Het onderzoek

 

Ik heb een inventarisatie verricht in mijn praktijk, om te onderzoeken of commerciële voeding een ander osteopatisch effect op de hond heeft dan rauwe voeding. Het onderzoek bestond uit een osteopatische inventarisatie van blokkades tussen de twee verschillend gevoerde groepen honden. Het onderzoek heeft het parietale, viscerale en cranio-sacrale systeem behelst.

 

Parallel heb ik bloed en ontlasting van alle honden afgenomen. De ontlasting is onderzocht op vertering van zetmeel, vet en eiwit. Een bacteriologische kweek van de ontlasting heb ik laten uitvoeren om het verschil in fauna aan te tonen.  Het bloed is onderzocht op de algemene orgaanfuncties en het rode en witte bloedbeeld.  Ik heb getracht  een verband te leggen tussen de gevonden blokkades en het bloed- ontlastingsbeeld.

 

Ik heb vijfentwintig honden onderzocht die commerciële voeding aten en vijfentwintig die rauwe voeding te eten kregen. De rassen waren Labrador Retrievers, Border Collies, New Foundlander, Heidelwachtel, Schnauzer, Duitse Herder, Jack Russel Terrier,Berner Sennen, Mechelse Herder, Bordeaux Dog, Koningspoedel, Chinese Naakthonden, Malteser Leeuwtjes, Golden Retriever, Munsterlander, Tekkel, Basset, Friese Stabij, Eurasiers, Whippets, Rhodesian Ridgebacks, Schotse Terrier en enkele kruisingen.

 

De honden waren in een leeftijdscategorie van vier tot acht jaar. Een eis was dat de hond minimaal vier jaar enkel brok dan wel enkel rauwe voeding had gegeten. Zo heeft de hond vier jaar lang enkel invloed gehad van één voedingswijze. Op die manier kon ik redelijk zeker zijn van de mogelijke te verwachten effecten. Minimaal drie weken vrij van ontstekingsremmers in welke vorm dan ook, om de blokkades te kunnen ontdekken en het bloedbeeld zuiver te houden.  De honden mochten niet ouder dan acht jaar zijn om ouderdomsklachten als spondylose en arthrose te vermijden. Ongevallen die zijn opgelopen door gebruik in de sport en erfelijke ziekten zijn uit het onderzoek geweerd, alsook ontstane ziekten vlak voor het onderzoek.

 

Alle honden waren niet nuchter. Normaal wordt bloedonderzoek nuchter gedaan om bepaalde orgaanfuncties goed te kunnen beoordelen. Mijn opzet was om de orgaanfuncties tussen de twee groepen te vergelijken in de aanwezigheid van voedsel.

 

Als opmerking wil ik duidelijk stellen dat het geen wetenschappelijk onderzoek betreft. De tijdspanne waarin deze thesis volbracht moest worden en het budget dat ik ter beschikking had, maakte dit onmogelijk.

 

a. Uitvoering van het onderzoek
Ik heb de beweging van de hond in stap beoordeeld.

 

Daarop volgde een gesprek met de eigenaar, waarin ik om de relevante gegevens betreffende de deelnemende hond vroeg. Hoe lang kreeg de hond commerciële voeding of rauwe voeding, leeftijd, of de hond aan enige sport deed, of de hond letsels had opgelopen of operaties had ondergaan.

 

Aansluitend volgde de drie minuten test* en aanvullend voerde ik mobiliteitstesten uit op zoek naar geblokkeerde wervels en trigger points. Daarna volgde een onderzoek naar de motiliteit van de lever, darmen en het diafragma.

 

Tenslotte heb ik bloed afgenomen en kreeg ik van de eigenaar de meegebrachte ontlasting. Het bloed en de ontlasting zijn onderzocht door het Veterinair Laboratorium Nederland te Roosendaal.

 

b. Resultaten
Drie honden heb ik uiteindelijk niet laten deelnemen in het onderzoek, gezien ze toch een erfelijke aandoening ( hypothyroidie ) hadden of naar mijn mening te kort rauw of commercieel gevoerd werden. Na uitsluiting van deze drie bleven er vijfentwintig rauw en vijfentwintig commercieel gevoerde honden over die hebben deelgenomen aan de inventarisatie.

 

De algemene indruk van de commercieel gevoerde honden was dat ze overwegend te dik waren. Een stijve gang hadden en een onrustige indruk maakten. De vacht verhaarde veel en er was  tandaanslag aanwezig op de P4 en C1. De rauw gevoerde honden vertoonden dit niet.

 

De ontlasting van de commercieel gevoerde honden had een penetrante geur, bestond uit verscheidene kleuren en was zacht van consistentie. De ontlasting van de rauw gevoerde honden had een stevige consistentie tot hard en was grijs tot donker van kleur. Deze ontlasting had vrijwel geen geur.

 

Hieronder volgen twee tabellen. De eerste tabel is de frequentie van gedetecteerde blokkades bij de commercieel gevoerde honden. De tweede tabel is de frequentie van gedetecteerde blokkades bij rauw gevoerde honden.

 

Mint: achterhoofd-1 halswervel. Geel: hals. Oranje: borst. Groen: lendenen.

Mint: achterhoofd-1 halswervel. Geel: hals. Oranje: borst. Groen: lendenen.

In de groep commercieel gevoerde honden hadden er twee geen detecteerbare blokkades. In de groep van de rauw gevoerde honden hadden er negentien geen detecteerbare blokkades.

 

Uit deze twee tabellen volgt nog geen relatie tussen bijvoorbeeld een thoracale blokkade, een cervicale en occiput-atlas blokkade. Hieronder geef ik het aantal honden met een combinatie van de gevonden blokkades.

 

Commercieel gevoerde groep:
·         Vijf honden
                                     T8 – T13 gecombineerd met C6 – C7 en L1 – L2
                                      blokkade
·         Acht honden
                                     T8 – T13 gecombineerd met OAA*** blokkade
·         Drie honden
                                     T10 – T13 blokkade gecombineerd met C4 –C7
                                      en OAA blokkade
·         Zeven honden  T4 en T13 blokkade

 

Alle thoracale blokkades waren ook gecombineerd met een verminderde of eenzijdige motiliteit van de lever. Het diafragma was enkel in vier van de vijftig honden normaal in motiliteit ( lemniscaat* beweging). De buikspanning ( defence musculaire ) was in deze groep honden duidelijk hoger dan in de rauw gevoerde groep, vooral rond het diafragma. Duidelijk voelbare darmbewegingen kon ik niet vaststellen.

 

Rauw gevoerde groep:
·         Twee honden
                                     L2 – L4          L4 – L6   (niet gecombineerde blokkades)
·         Drie honden
                                     T9 – T10        T9 – T10        T11 – T12 – T13
                                     (niet gecombineerde blokkades)
·         Een hond
                                     C3 – C4 gecombineerd met OAA blokkade

 

C: hals, T:borst, L: lenden

 

In deze groep was de levermotiliteit enkel bij één hond als eenzijdige beweging aanwezig. In  deze groep vertoonde de diafragma’s een normale   motiliteit
(lemniscaat beweging) De defence musculaire was vrijwel nul in het gehele buikgebied en darmbewegingen en abdominale fasciale bewegingen duidelijk voelbaar.
_________________________________________________________________
***: OAA is het gebied tussen occiput (achterrand schedel), atlas (eerste halswervel) en axis (tweede halswervel)

 

De cranio-sacrale bewegingen heb ik buiten dit onderzoek gelaten. De reden is dat het overgrote deel van de honden dit dusdanig verhinderde, dat een eenduidige uitspraak hierover niet mogelijk is. Gezien de gevonden blokkades ligt het in de lijn der verwachting dat cranio-sacrale bewegingen gestoord zullen zijn. Een thoracale blokkade (T8 – T13) kan een eenzijdige verzuring van de musculus psoas major en minor tot gevolg hebben. Zo kan een lichte torsie van het sacrum naar een zijde plaatsvinden. Door de core link verbinding kan dit zijn negatieve invloed op de meningen en de hypofyse hebben. Daardoor kan de aanvoer en afvoer van liquor cerebralis en bloed gecomprimeerd zijn.

 

Tot zover de osteopatische bevindingen van het onderzoek.
     
Nu volgen de gevonden bloedwaarden en de resultaten van de vertering van zetmeel, vet en eiwit in de ontlasting. In de horizontale as staan de bloed- en ontlastingparameters en in de verticale as het aantal honden met een waarde boven de referentiewaarde. Parameters onder de referentiewaarden zijn niet gevonden. Parameters zonder verhoging vallen binnen de referentiewaarden.


Verticale as: aantal honden.                                   Horizontale as: gemeten parameters.
De laatste drie waarden ( zetmeel, vet en eiwit ) zijn bepaald uit de ontlasting.


Verticale as: aantal honden.                      Horizontale as: gemeten parameters.
De laatste drie waarden ( zetmeel, vet en eiwit ) zijn bepaald uit de ontlasting.

 

In beide groepen honden vertoonde het rode- en witte bloedbeeld geen afwijkende waarden.

 

Opgemerkt moet worden dat er een bacteriologisch kweek van alle mestmonsters van beide groepen is gemaakt.

 

In de commercieel gevoerde groep waren er twee honden met een monokolonie Escherichia Coli bacteriën, vier honden hadden brillenkokersgist en één hond had enkel een gist gekweekt. De overige honden hadden een mengkolonie enterobacteriacea. Enterobacteriacea zijn de normale bewoners van de hondendarm.

 

In de rauw gevoerde groep waren alle kweekuitslagen een mengkolonie van enterobacteriacea.

 

c. Discussie

 

Aan dit onderzoek zitten een aantal beperkingen.

 

De groep honden bestond uit een diversiteit aan rassen en kruisingen. Opgegroeid onder verschillende omstandigheden. De honden worden op verschillende manieren gebruikt. Twee Border Collies werden gebruikt in de schapensport. Een Labrador was  huishond. Enkele honden werden ingezet voor de jacht en behendigheid. Om een aantal voorbeelden te noemen.

 

De commercieel gevoerde honden aten allemaal een andere brok en waren ook opgegroeid met een wisselend merk brok. Geen eenduidige gelijke voeding dus.

 

Enkele van de rauw gevoerde honden kregen kant en klaar vers vlees ( KVV) te eten. Dit is een gemalen vorm van rauwe voeding, die kan wisselen in samenstelling. De meerderheid kreeg echter rauwe botten, vlees , organen en groente te eten. Deze laatste vorm van rauwe voeding kent ook nog verschillende stromingen, zoals mensen die geen groenten en fruit aan de rauwe maaltijd toevoegen of de bot- vlees verhouding anders toepassen.

 

Het overgrote deel van de onderzochte groep, liet zich kalm onderzoeken. Enkele honden waren een grotere uitdaging in het onderzoek.

 

Vooraf kregen de mensen een vragenlijst (zie bijlage) Aan de antwoorden kon ik beoordelen of de hond in aanmerking kwam voor het onderzoek. Vooraf had ik dus informatie betreffende de onderzochte hond. Voor de zuiverheid van het onderzoek was het beter als ik deze informatie niet had. Tijdens mijn onderzoek heb ik getracht zo objectief mogelijk te onderzoeken.

 

De opzet die ik wilde was van elk ras twee honden van hetzelfde geslacht, dezelfde leeftijd en onder dezelfde omstandigheden opgegroeid. De één at commercieel voer en de ander rauw. Alle commercieel gevoerde honden aten één en hetzelfde merk brok. Hetzelfde zou dan gelden voor de rauw gevoerde groep. Voor de onderzoeker mocht niet bekend zijn uit welke groep de hond kwam. Een statistische analyse naar de significantie van de verschillen is wenselijk, maar niet uitvoerbaar, gezien het aantal honden te klein was en de externe invloeden op de honden te groot zijn. Binnen het kader van deze thesis, waren deze geprefereerde omstandigheden niet mogelijk.

 

Samengevat zijn de uitslagen wel representatief om de thesis verder te kunnen uitwerken naar de relaties tussen de voeding en de gevonden blokkades in samenhang met de gevonden parameters uit het bloed en de ontlasting

 

d. Bespreking van de resultaten:

 

d 1 Bloed- en ontlastingsonderzoek

 

Alkalische fosfatase is een enzym dat algemeen voorkomt in alle cellen van het lichaam. In een geconcentreerde vorm komt het voor in de lever, nieren en botten.

 

Bilirubine is een afbraakproduct van hemoglobine in de rode bloedcel. Bilirubine wordt gevormd in de milt als rode bloedcellen afsterven. Het wordt gebonden aan albumine en naar de lever vervoerd. In de lever wordt het omgezet tot een wateroplosbare vorm ( geconjugeerd bilirubine ) en met de gal uitgescheiden. In de darm wordt het verder omgezet tot stercobiline wat de ontlasting de donkere kleur geeft. Een verhoogde waarde kan dus aanleiding zijn tot een de verdenking van een leverstoring. Dit moet dan wel in combinatie met een verhoging van het enzym Ggt en galzuren.  Als laatste wil ik opmerken dat het overgrote deel van het uitgescheiden  bilirubine in de darm heropgenomen wordt. Dit heet de entero-hepatische kringloop.

 

Gamma glutamyl transpeptidase ( Ggt ) is een enzym dat voorkomt in de galgangen. Een stijging van dit enzym in combinatie met een stijging van het bilirubine en  galzuren is  aanleiding tot de verdenking van een galgangprobleem.

 

GPT of ALAT is een enzym dat in verhoogde bloedwaarden een verdenking van een leverprobleem kan zijn. Echter, het is niet specifiek en moet beoordeeld worden in combinatie met bilirubine, galzuren en AF. Als deze ook verhoogd zijn dan is er sprake van een leverstoring.

 

Creatinine en ureum zijn twee stoffen uitgescheden door de nieren. Creatinine is afkomstig uit creatinine fosfaat. Dit is de energievoorraad van de spieren. Ureum is een afbraakproduct van het eiwitmetabolisme. Verhoogde waarden laten een verminderde nierfunctie zien.  Door de verhouding tussen ureum en creatinine te berekenen kun je bepalen of de oorzaak van de verhoging voor de nieren, in de nieren of na de nieren is gelegen. De ureum/creatinine ratio gaf aan dat het renale problemen waren.

 

Calcium en anorganisch fosfaat in het bloed moet een constante verhouding hebben. Als deze verhouding wijzigt, kan dit een aantal oorzaken hebben. Een gestoorde calcitonine en parathyroid hormoon is een mogelijkheid. Calcitonine is een hormoon dat geproduceerd wordt in de C cellen van de schildklier. Het haalt calcium uit het bloed weg en incorporeert het in bot. Parathyroid hormoon gevormd in de bijschildklieren doet calcium stijgen in het bloed door :

 

  • osteoclasten* te activeren
  • de reabsorptie van calcium in de nier te verhogen
  • de darm te activeren tot calcium opname door een verhoogde productie vitamine D

 

Galzuren worden in de lever gevormd uit cholesterol. Deze worden via de gal in de darm uitgescheiden en hebben een rol in de opname van vetten uit het voedsel. Een verhoging van deze galzuren, wederom in combinatie met bilirubine en Ggt wijst op een verminderde leverfunctie.

 

Zetmeel, vet en eiwit in de ontlasting geeft een aanwijzing dat deze nutriënten niet verteerd zijn. Een reden kan zijn dat er een overload aan deze stoffen in de darm aanwezig was of dat de structuur van deze stoffen niet overeenstemde met de enzymreceptoren. Een andere oorzaak kan zijn dat het darmmilieu zoals de pH niet optimaal is om alles goed te laten verlopen. Enzymen afgescheiden door de pancreas kunnen ook tekort schieten bijvoorbeeld als de pancreas niet meer optimaal werkt. Daardoor worden eiwitten, vetten en zetmeel niet voldoende afgebroken om geabsorbeerd worden.

 

Als deze resultaten tussen beide groepen honden vergeleken worden is er een sterke aanwijzing dat de commercieel gevoerde honden een overprikkelde lever en nieren hebben en hun vertering te kort schiet. Daarnaast is bij enkele honden een te lage calcium fosfor verhouding in het bloed gevonden van de commercieel gevoerde groep. Deze verkeerde calcium fosfor verhouding kan leiden tot lever- , nier- en skeletproblemen. Pancreas enzymen zijn niet meegenomen, gezien de pancreasfunctie nuchter bepaalt moet worden.

 

 d 2 Osteopatische bevindingen en relaties

 

Tussen deze twee groepen honden zijn blokkade verschillen gevonden. In dit deel zal ik mijn osteopatische visie geven betreffende deze verschillen.

 

Commerciële voeding heeft een bewerking ondergaan zoals beschreven in de voorgaande hoofdstukken. Al deze nutriënten worden door de hond opgegeten en in de maag en duodenum resulteert dit in een  onvoldoende vertering. Een deel van de voeding wordt opgenomen, een deel gaat onopgenomen verder door het maag-darmstelsel. De voeding die wordt opgenomen komt via de vena porta in de lever terecht. De lever krijgt een hoeveelheid nutriënten te verwerken die genetisch niet optimaal worden aangeboden. Naast de chemische additieven als geur-, kleur- en smaakstoffen en de conserveringsmiddelen. Hierdoor ontstaat een dysfunctie van de levercellen en galgangen. Dit uit zich in het bloed door een stijging van de AF Ggt, GPT, galzuren en bilirubine. Deze beschadigingen leiden tot een verhoogde prikkeling van de sympatische afferente vezels vertrekkende vanuit de lever.  Aangekomen in het ganglion coeliacum divergeren de sympatische vezels naar de truncus sympaticus. Deze sympatische vezels behoren tot de nervi splanchnicii major. De nervi splanchnicii major treden in de truncus sympaticus en verlopen via de radix dorsalis van het ruggenmerg o.a. naar de formatio reticularis en hypothalamus.

 

De tweede weg is dat de overprikkelde afferente sympatische vezels vanuit de maag, lever, pancreas en nieren  in contact treden met de cornu laterale van het ruggenmerg. Vanuit de cornu laterale lopen deze overprikkelde efferente vezels via de radix ventralis naar het paravertebrale ganglion. Via de ramus communicans alba naar de ramus communicans griseus, naar de ramus dorsalis.  Daar geeft het signalen die resulteren in hyperestesie, hypertonie, een blokkade van de wervel, vasoconstrictie, sudomotoriek en piloerectie aan weerzijde van de ruggenwervels. Een trigger point dus. Zie figuur 28 blz. 64.

 

Vanuit deze efferente sympatische banen worden de ligamenten waaraan de lever verbonden en het kapsel van Glisson* is geïnnerveerd. De sympatische efferente overprikkeling leidt tot een constrictie van de gladde spiercellen in deze ligamenten. Door de toegenomen tonus en hyperestesie van deze ligamenten is de motiliteit van de lever gewijzigd.

 


Figuur 27: Sympatische innervatie van het autonome zenuwstelsel T7 – T13
 (Bron: schets auteur )
Groen                : sympatische afferente en efferente zenuwen.

 

Opmerking: de pancreas wordt ook nog bezenuwd door een ramus pancreaticus van de plexus mesentericus cranialis.

 

De efferente sympatische banen van de nervi splanchnicii major verlopen via het ganglion coeliacum ook naar  de maag, pancreas, milt en het duodenum. De gestoorde sympatische efferentie leidt tot het sluiten van precapillaire sfincters van de arteriolen en een dysfunctie van de sfincter van Oddi, de galblaassfincter en de sfincter van de ductus van Santorini.

 

Deze verminderde klepfuncties hebben tot gevolg dat de gal uit de galblaas en verteringsenzymen uit de pancreas vermindert vrijkomen in het duodenum. De vertering in het duodenum komt dan verder in het gedrang. Het sluiten van de precapillaire sfincters van de arteriolen geeft een verminderde perfusie van  lever,maag, duodenum, milt,  pancreas en nier. Dit geeft een hypoxie van de weefsels en een vermindert functioneren van deze organen. Door de intense ligamentaire verbinding tussen lever, maag, duodenum, milt en pancreas zal de gestoorde sympatische efferentie in al deze organen de motiliteit negatief beïnvloeden op dezelfde wijze als hierboven beschreven.

 

De maag, pancreas, duodenum, milt en lever liggen nauw verbonden aan elkaar en aan het diafragma. De sympatische dominantie en verminderde motiliteit van deze organen geeft een verhoogde druk op het diafragma. Hierdoor kan de buik- ademhaling in het gedrang komen. Een verminderde diafragma werking heeft een negatieve uitwerking op de veneuze retourcirculatie uit het abdomen.
Figuur 28  geeft aan hoe deze triggerpoints ontstaan.

 

 
Figuur 28 : ( Bron :   ICREO Stefan Alen / Franck Dirckx )
Dwarse doorsnede door het ruggenmerg en het ontstaan van een         triggerpoint

 

De uitleg van figuur 28 is als volgt.

 

Gestoorde afferente sympatische informatie ( groene pijl ) van de lever gaat via het prevertebraal ganglion (ganglion coeliacum) ( 1 ) naar het paravertebraal ganglion (truncus sympaticus) ( 2 ) door naar de radix dorsalis ( 3 ) van het ruggenmerg. Daar vindt contact plaats met de cornu laterale ( 4 ) van het ruggenmerg. Dit leidt tot een gestoorde sympatische efferentie ( zwarte pijl ) via de radix ventralis ( 5 ) over het paravertebraal ganglion ( 2 ) naar de ramus dorsalis ( 6 ) en zo naar de huid en spieren langs de thoracale en lumbale wervelkolom. In het paravertebraal ganglion zijn aftakkingen mogelijk naar andere paravertebrale ganglia, zodat de gestoorde sympatische efferentie over een heel gebied in de huid kan intreden. Zo ontstaat een rij triggerpoints over de huid.

 

De psoas spieren liggen nauw verbonden aan de nieren en de lever van de hond.  Door de gestoorde sympatische informatie uit het maag-darmstelsel  is er ook een sympatische dominantie in de musculus psoas major en minor. Daardoor treedt er een vasoconstrictie op in de bloedvaten van de musculus psoas major en minor, waardoor deze verzuurt. De strekkers van de rug als de musculus longissimus en musculus iliocostalis bevatten de hierboven beschreven triggerpoints. Hier heerst ook een sympatische dominantie met vasoconstrictie van de bloedvaten in deze spiergroepen. Dit zou de stijvere gang in de commercieel gevoerde groep honden kunnen verklaren.

 

In het volgende deel zal ik ingaan op de cervicale blokkades.

 

In de commercieel gevoerde groep waren er  honden met een gecombineerde thoracale en C4 – C7 blokkade. Dit kan als volgt verklaart worden.

 

De sensibele innervatie van de ligamenten die de lever, milt, pancreas en lever ophangen in de buik wordt verzorgd door de nervus phrenicus.

 

De nervus phrenicus verloopt door het diafragma via de thorax naar de intrede in de laatste cervicale wervels. Deze intrede is van C5 – C7. Gestoorde afferente informatie vanuit de ophangsystemen van de maag, lever, milt, pancreas en duodenum leiden tot gestoorde sympatische efferentie vanuit C5 – C7. De gestoorde efferentie kan de plexus brachialis* (C5-T2 ) beïnvloeden. De nervus phrenicus is immers onderdeel van deze plexus. Hierdoor komt de proprioceptie* van deze halswervel via de radix dorsalis niet meer binnen en ontstaat er een blokkade van halswervel vijf, zes en zeven. Door de nabije ligging van de musculus scalenus kunnen zich in deze spieren ook triggerpoints voordoen.

 

Als laatste waren er elf honden met een OAA blokkade gecombineerd met een cervicale ( C5 – C7 ) en/of thoracale ( T8 – T13 ) blokkade.

 

De nervus vagus is de belangrijkste parasympatische component van de autonome innervatie van het maag-darmkanaal. De nervus vagus zorgt onder andere voor de peristaltiek van het maag-darmkanaal en de klepfuncties. Het afferente sensibele transport uit het maag-darmkanaal naar de hersenen is echter de voornaamste functie van de nervus vagus. Vanuit het maag-darmstelsel loopt de nervus vagus via het hiatus oesophageus door het diafragma. Aan weerszijde van de oesophagus loopt de zenuw naar het foramen jugulare van het os occiput. Via deze opening in het bot van de schedel treedt de tiende hersenzenuw het centraal zenuwstelsel in. De nervus accessorius ( XI ) en de nervus glossopharyngeus (IX) komen grenzend aan de nervus vagus het foramen jugulare binnen. De overprikkelde nervus vagus(X) leidt tot een overprikkeling van de nervus accessorius(XI) en – glossopharyngeus(IX). De nervus accessorius innerveert de musculus brachiocephalicus, – omotransversarius en – trapezius. Door de overprikkeling kan in deze spieren een hypertonie en hyperestesie ontstaan. Overprikkeling van de nervus glossopharyngeus (IX) kan leiden tot slikstoornissen en een gestoorde functie van de glandula parotis.

 

De nervus vagus (X) heeft via de ramus jugularis contact met het ganglion cervicale craniale*.  De overprikkeling van het ganglion cervicale craniale komt door de overprikkeling van de sympaticus als een geheel. Via de grensstreng gaat afferente sympatische informatie naar het ganglion stellatum en zo via de ramus interganglionare naar het ganglion cervicale craniale. Vanuit hier vertrekken sympatische vezels die blokkades veroozaken rond het OAA gewricht.

 

Het frequent voorkomen van oorproblemen bij de commerciële groep wordt op gelijke manier uitgelegd. Dit leidt tot een verhoogde uitscheiding van cerumen. Het milieu in de uitwendige gehoorgang is dan optimaal voor het ontstaan van secundaire bacteriële infecties.

 

Hetzelfde geldt voor de overmatige talgklier productie in de huid. De dominantie van de sympaticus geeft daardoor een overmatige afscheiding van talg. Deze talg kan oxideren en ranzig worden. Zo ontstaat de typische hondengeur en wordt een milieu op de huid gecreëerd welke bevattelijk is voor huidinfecties.

 

Refererende naar de bovenstaande grafieken van de blokkades en bloeduitslagen, is een duidelijk verband gevonden tussen de bloedwaarden van de lever en nieren en de blokkades veroorzaakt door de lever en nier. De bloedwaarden zijn afgenomen bij niet nuchtere honden. Dit is gedaan omdat ik geïnteresseerd was in de reactie van de organen op de twee voedingswijzen en niet of er al dan niet beschadigingen zouden zijn. Zo is er een link gelegd tussen de osteopathie en de regulieren diergeneeskunde op dit vlak.

 

d 3 Ontlasting

 

Een ander verschil is gemeten in de ontlasting. De commercieel gevoerde groep had meer zetmeel, vet en eiwitfracties in de ontlasting dan de rauw gevoerde groep.

 

Een mogelijke reden is de hoeveelheid granen in commerciële voeding. Deze overload aan zetmeel kan  niet volledig verteerd worden en wordt vaak aangeboden in een moleculair afwijkende structuur door de verhitting in het productieproces van brok. Dit laatste kan ook gezegd worden over de vet en eiwitfracties bij de commercieel gevoerde groep honden.

 

Het bacteriologisch onderzoek gedaan op de ontlasting is niet geheel sluitend betreffende de gevonden verschillen. Wel is er een lichte aanwijzing dat de commercieel gevoerde groep vaker een afwijkende monokolonie bacteriën of gisten vertoonde. Het natuurlijke beeld is een mengkolonie waarin alle bacteriën in evenwicht zijn met elkaar.

 

Een reden voor het verschil is dat brok een steriele voeding is en de overmaat zetmeel, eiwit en vet een voedingsbodem is voor bepaalde soorten bacteriën. De rauw gevoerde groep eet vuile pens vol bacteriën en verteert de nutriënten efficiënter. Zo komt er in die groep een constantere aanvoer van bacteriën binnen en is er in de darm geen bodem voor het ontstaan van een monokolonie.

 

Een monokolonie kan tot een ontsteking of lagere lokale immuniteit van de dikke darm leiden. Een sympaticus overprikkeling is het gevolg. Via deze ontregelde sympaticus kan over het ganglion Impar van Walter een dysfunctie van de anaalklieren ontstaan. Daarnaast is ontlasting van rauw gevoerde honden algemeen gesproken vaster van consistentie en daardoor worden de anaalklieren bij de defaecatie beter geleegd. Deze twee redenen zijn mijns inziens de reden tot het frequenter voorkomen van anaalklier ontstekingen bij de commercieel gevoerde honden. Het ganglion Impar van Walter is een sympatisch ganglion gelegen in het bekken ter hoogte van het distale gedeelte van het sacrum.

 

10. Besluit

 

De resultaten van het onderzoek zijn nu geïnventariseerd en in verband met elkaar gebracht. Zijn er verschillen tussen de twee groepen  honden betreffende hun blokkades gecombineerd met de bloed- en ontlastingsuitslagen?  Ondanks de beperkingen van het onderzoek is mijn antwoord “ja”. Er is een verschil gevonden ten gunste van de rauw gevoerde groep.

 

Rauw gevoerde honden hebben minder blokkades. Bloedwaarden die vrijwel niet afwijken en ontlasting met meer mengkolonies van bacteriën.

 

De gevonden blokkades bij de commercieel gevoerde groep zijn gelegen ter hoogte van OAA, C5 – C7 en T8 – T13. Het OAA is verbonden met de nervus vagus blokkade, de C5 – C7 is verbonden met de nervus phrenicus en de T8 – T13 met de plexus coeliacus.

 

In de bloedwaarden zijn de leverwaarden duidelijk hoger in de commercieel gevoerde groep. Dit is verbonden via de plexus coeliacus aan de gevonden blokkades in T8 – T13 zone welke is gerelateerd met de nervi splanchnici majoris. Deze zone leidt ook tot een blokkade in de musculus psoas. De commercieel groep had frequenter hogere nierwaarden hetgeen past met de gevonden blokkades ter hoogte van L1 en L2. Vanuit L1 en L2 lopen de nervi splanchnici minoris welke bij de hond in L1,L2 en L3 in de radix dorsalis treden en zo blokkades voorzaken in deze regio.

 

In de ontlasting van de commercieel gevoerde groep zijn enkele honden gevonden met een monokolonie en gistcellen. Dit kan leiden tot een geïrriteerd darmslijmvlies met een gestoorde sympatische afferentie over het ganglion Impar van Walter. Via dit ganglion kan zo een gestoorde secretie van de anaalklier plaatsvinden met anaalklierproblemen tot gevolg. Rauw gevoerde honden hebben een consistentere ontlasting die bij defaecatie de anaalklieren leegt en stase voorkomt. Eenzelfde redenatie geldt voor de huid en oren. Ook hier zal de sympaticus dominantie een verhoogde kliersecretie geven van de cerumklieren in het oor en de talgklieren in de huid en zo aanleiding geven tot oorinfecties en een typische hondengeur van de huid. De overmaat aan talg geeft weer een optimaal milieu voor dematitiden.

 

Vooropgesteld dat perfecte voeding voor alle honden niet bestaat, kan op basis van dit onderzoek en de gevonden resultaten gesteld worden, dat voor een gezond functioneren van het spijsverteringskanaal van de hond en de daaraan verbonden osteopatische relaties, rauwe voeding geadviseerd kan worden.

 

 10. Summary

 

The   results of my research are now completed.   The relationship between all the results has been integrated and I have come to a conclusion.

 

Is there a detectable difference between the two feeding groups and the appearance of osteopathic blockades in the dogs ? Despite the short falls in my research, my answer is positive. There is a difference found in favour of the raw fed group of dogs.

 

Raw fed dogs have less blockades. Blood results which are close to normal and the bacterial colonies were more of a heterogeneous group. The found blockades in the commercial fed group of dogs were found between OAA, C5 – C7, T8 – T13 and L1 – L2. The OAA is related with a nervus vagus blockade, the C5 – C7 is related with a nervus phrenicus blockade and blockade T8 – T13 is related with the plexus coeliacus. L1 – L2 blockade is related with the kidneys. The blockades related to T8 – T13 and Li – L2 are also related to the musculus psoas.

 

The blood results concerning the liver are clearly higher in the commercially fed group of dogs. These results can be related to the plexus coeliacus and the blockades in the region of T8 – T13. This is the region in which the nervi splanchnici majoris are involved. The same group of dogs have higher results concerning the kidneys. The blockades found in the region L1 and L2 are related in kidney disturbances. The nervi splanchnici minoris are responsible for this last blockade.

 

The commercially fed group had faeces containing single colonies of bacteria and yeast colonies. This leads to an irritation on the surface of the gut. This will lead to a sympathic dominance. A sympathic dominance via the ganglion Impar of Walter can lead to a hypersecretion of the anal gland. As a result infection of the anal gland can occur. Raw fed dogs have more solid faeces. The anal gland will be emptied more often and stasis will not occur.

 

Sebumgland of the ear and skin will increase their secretions when the sympathicus is in dominance. The overload of secretion will lead to an optimal environment for bacterial infection and the typical dog smell.. This is in fact what has been seen in the commercial fed dogs.

 

There is no perfect way to feed your dog.
I can conclude based on this thesis that raw fed dogs have an optimal functioning gut and the osteopathic blockades are less  than the commercial fed group.
My advice based on this thesis,  is that raw feeding is the best way to keep your dog healthy in a osteopathic manner.
                                                               I.
Literatuurlijst:
  1. I.C.R.E.O. cursus 2007-2009 opleiding tot paarden- en honden osteopaat. Docenten Stefan Alen en Frank Dirckx
  2.  Anatomie der Haustiere deel I,II,III,IV. Nickel, Schummer, Seiferle vijfde druk Verlag Paul Parey Berlin und Hamburg 1988
  3.  Veterinary Physiology vierde editie James G. Cunningham en Bradley G. Klein. Saunders Elsevier 1997
  4.  Atlas of Human Anatomy vierde editie Frank H. Netter MD Saunders Elsevier 2003
  5.  Veterinary embryologie T.A. McGeady, P.J. Quinn, E.S. FitzPatrick en M.T. Ryan. Blackwell Publishing 2000
  6.  Functionele histologie tweede druk L.C. Junqueira en J. Carneiro wetenschappelijke uitgeverij Bunge.1989
  7.  Neurologie structuur, functie, en dysfunctie van het zenuwstelsel derde druk Prof. Dr. E. Ch. Wolters en prof. Dr. H.J. Groenewegen. Bohn Stafleu van Loghum. 2001
  8.  Core text of neuroanatomy tweede druk malcolm B. Carpenter.Williams & Wilkins Baltimore/London. 1993
  9.  Give your dog a bone Dr. Ian Billinghurst    Warrigal Publishing Australia 1993
  10.  The barf diet     Dr. Ian Billinghurst   Warrigal Publishing Australia 2001
  11.  Grow your pups with bones   Dr. Ian Billinghurst   Warrigal Publishing Australia 1998
  12.  Work Wonders Dr. Tom Lonsdale    Rivetco P/L 2005

 

Bijlage

 

Vragenlijst deelname thesis osteopathie 2009 Erwin van Gijtenbeek.

note: dit is het oude adres waar de kliniek begonnen is.
Huidige adres is: De Hoefsmid 5, 1851 PZ in Heiloo

Dierenartsenpraktijk     Any Animal 
Westerweg 291       
1852 AH    HEILOO
Tel.: 072 – 5 339 336
Fax: 072 – 5 322 119

________________________________

Wilt u zo vriendelijk zijn deze vragen te beantwoorden en retour te doen naar [email protected]
U hoort dan spoedig of uw hond kan deelnemen aan het onderzoek. Hartelijk dank. Met vriendelijke groet, Erwin van Gijtenbeek
________________________________

 

Deelname screening scriptie osteopathie 2009

 

Inventarisatie van de blokkades tussen rauw- en brok gevoerde honden.
         Naam:                 
         Adres:                 
         Postcode plaats:  
         Naam hond:        
         Tel.:                    

         

  •      Welke medicijnen gebruikt de hond en hoe lang al ?
  •      Ras                                                                      
  •      Geboortedatum                                                  
  •      Is de hond een teef of een reu ?                                     
  •      Eet de hond brok of rauw ?                                 
  •      Eet de hond dit sinds de geboorte ?                     
  •      Beoefent u met de hond een sport ?                     
  •      Is de hond ooit geopereerd ?
  •     Heeft uw hond een chronische aandoening 
  •     Welke voedingssupplementen gebruikt de hond en hoe lang al ?

 

Wilt u zo vriendelijk zijn deze vragen te beantwoorden ( druk de mail op “beantwoorden”) en u kunt de antwoorden invullen en retour te doen naar [email protected]  U hoort dan spoedig of uw hond kan deelnemen aan het onderzoek.

Vele honden en katten hebben huidklachten. De oorzaken variëren van een vlooienbesmetting met lichte irritaties tot open wonden veroorzaakt door jeuk en overmatig krabben.

Een in balans zijnde gesloten huid is de beste verdediging tegen bacteriën, virussen en parasieten. Een huid die uit balans is, en zeker met wonden of wondjes, geeft bacteriën een kans om infecties te kunnen veroorzaken.

Wat is jeuk?
De enige reden voor jeuk is een overmatige productie van histamine in de huid. Histamine komt uit mastcellen die weer onderdeel zijn van het afweersysteem. Er is dus een laagdradige ontsteking ontstaan waarbij de afweer 24/7, 365 dagen in een verhoogde versnelling komt te staan. Dit kost ook nog extra energie.

Een grote veroorzaker van deze activatie is brokvoeding. Het hoeft niet de enige reden te zijn maar dit is heel vaak wel de hoofdreden.

Hoe komt dat nu?
De basis van de brok productie is zetmeel en eiwitten. Tijdens het productieproces worden brokken verhit. Geperste brok tot 72 graden en geëxtrudeerde brok tot 145 graden Celsius. Tijdens dit verhittingsproces ontstaan verbindingen tussen de suikers (zetmeel) en de eiwitten en de brok is geboren. Dit noemt men in de scheikunde een “Maillard reactie” (meer hierover te lezen op onze website)

Helaas hebben brokken nadelige eigenschappen zoals het openen van de verbindingen (desmosomen) van de darmcellen en het activeren van het verworven immuunsysteem, activeren mTOR receptoren, verhogen de geoxideerde LDL waarden, vaak een overgroei van verkeerde bacteriën in de darm, een verhoogde kans op candida albicans en zo nog meer. Hierdoor gaat de afweer aan en circuleren er vele ontstekingsstoffen door de bloedbaan van honden en katten.
Gezien de afweer van het dier, die brokken als voedingsbron krijgen, dan chronisch aanstaat kunnen de ontstekingsstoffen zich ook tegen het lichaam van het dier richten en dan klachten als huidontstekingen geven.

Een evolutionaire rauwe voeding met een hoge biologische waarde kan dit proces omkeren. CarniVoer is een voeding die met kennis vanuit verschillende invalshoeken is ontwikkeld. Dit is mede de reden waarom onze rauwe voeding geen granen en zetmelen in welke vorm dan ook bevatten.

Een oplossing voor deze huidklachten?
Er is een goede mogelijkheid om dit soort voedingsgerelateerde (chronische) huidklachten te repareren. Vaak werkt het al als de overstap genomen wordt van de gegeven voeding naar CarniVoer rauwe voeding. Het kan ook zijn dat er eerst een aantal stappen doorlopen moet worden. Zoals eerst de darmen reinigen en herstellen. En daarna pas het microbioom weer opbouwen.
Dit alles is afhankelijk van meerdere factoren zoals diersoort, leeftijd, ras, welke voeding er gegeven is/wordt, aard van de klachten etc.
In de dierenkliniek van onze dierenarts hebben wij in de afgelopen ruim 11 jaar ontzettend veel dieren van hun huidklachten genezen door alleen het voermanagement aan te passen en over te laten stappen naar CarniVoer rauwe voeding.

Een verkooppunt van CarniVoer mag altijd contact met ons bedrijf opnemen om te overleggen met onze dierenarts. Zo kunnen wij ook op afstand hulp bieden.
Laat je dus goed voorlichten en helpen door een verkooppunt van CarniVoer

De missie van CarniVoer is niet voor niets: Met kritisch vermogen kwaliteit en gezondheid (re)genereren bij honden en katten.

Een ander woord voor probiotica is goede darmbacteriën

 

 

De darm bevat naast voedsel, bacteriën en vele schadelijke stoffen. In de darmwand zit het grootste gedeelte (80%) van het afweerstelsel van de hond en kat. De darminhoud is namelijk de buitenwereld. Dit afweerstelsel behoed je hond en kat van ziek worden.

Vanaf het einde van de dunne darm (igleum) tot de anus neemt de concentratie van darmbacteriën toe. Deze bacteriën zijn een evenwicht tussen ziekte verwekkende en niet ziekte verwekkende bacteriën (=probiotica). Ze houden elkaar in evenwicht.
Als om de een of andere reden er niet voldoende bacteriën via de voeding binnen komen, of er een eenzijdige voeding gegeven wordt, kan dit evenwicht verdwijnen. De ziekte verwekkende bacteriën kunnen de overhand nemen en er kan zo o.a. diarree ontstaan. Ook is het mogelijk dat er zeer kleine ontstekingshaarden in de dikke darmwand ontstaan, die op termijn ziekte kunnen veroorzaken.
Daarnaast is de dikke darm zeer belangrijk in de functie van de afweer. Een dikke darm in de problemen, leidt tot een afweer die in de problemen komt.

 

Hoe komt uw hond en kat nu aan die goede bacteriën?
Initieel via de geboorteweg en de lactatieperiode. Tijdens de geboorte komt de faecale flora van de moeder in de bek van de pup of kitten. Zo neemt het jonge dier probiotica op. Door frequente drinken aan de tepels, gaat er een kweek van probiotische bacterien rond de tepels gevormd worden. Zo krijgt het jonge dier de kans een goede kolonisatie te bewerkstelligen. De zuurgraad in de maag bij hele jonge dieren is nog laag. Deze leeftijd is ook de optimale periode om probiotica op te bouwen.
Op een latere leeftijd probiotica opbouwen kan, maar is moeilijker en kan langdurig zijn. De zuurtegraad in de maag is een barrière voor o.a. bacteriën. De toegevoegde probiotica hebben zo meer moeite om door het maagzuur en de gal heen te komen. Probiotica kunnen slecht tegen maagzuur en gal. Dus om een goede kolonisatie te krijgen moet er een hoge concentratie als supplementatie gegeven worden.
Het is belangrijk dat een probiotica supplement een multistrain heeft! Dat betekend dat er meerdere soorten goede darmbacteriën worden gebruikt. We weten namelijk nog niet welke probiotica bij de hond en kat voorkomen in welk deel van de darm.

 

Wat zijn nu de effecten van deze probiotica?
  1. Ziekteverwekkende bacteriën worden bestreden. De probiotica scheiden melkzuur, boterzuur en propionzuur uit. Deze verzuring maakt het onmogelijk voor de ziekte verwekkende organismen om te overleven. De darmcellen gebruiken het boterzuur weer.
  2. Voedselvertering. Cellulose wordt hier verder verteerd door de probiotica.
  3. Productie van vetzuren. De darm leeft van deze vetzuren. Dit voorkomt schimmel en gist groei in de darm. Gisten en schimmels leiden weer tot darmwand ontstekingen.
  4. Zuurtegraad verlaging. Dit leidt weer tot een beter opname van calcium, zink en magnesium en het tegengaan van pathogenen (= ziekteverwekkers).
  5. Een positieve prikkeling van het immuunstelsel in de darmwand. Paracriene cellen zorgen voor informatie van de probiotica naar de aangeboren afweer.
  6. Vermindering van voedselallergieën. Een niet evenwichtige maag-darm fauna kan leiden tot het “hyperpermeabiliteit syndroom,”  Dit kan aanleiding geven tot voedselovergevoeligheden en allergieën en overbelasting van de  lever.
  7. Vermindering van colon kanker.
  8. Cholesterolverlaging.
  9. Productie van vitaminen. Vitamines B en K en PQQ een stof die van belang is voor de mitochondriën in een cel.
  10. Preventie van dikke darm diarree.
  11. Voorkomen van winderigheid.

Probiotica is een enorm belangrijk onderdeel voor de gezondheid van je hond of kat.
Gezien de meeste commerciële voeding verhit en steriel is, draagt deze voeding helaas niet bij tot een gezonde maag/darm fauna = probiotica.

Bron: Nu.nl oktober 2014Referentie:
The Potential Benefits of Probiotics in Animal Production and Health1,2H.H. Musa, 1S.L. Wu, 1C.H. Zhu,     2H.I. Seri and 1G.Q. Zhu1College of Veterinary Medicine, University of Yangzhou, Yangzhou, 225009, China
2Faculty of Veterinary Science, University of Nyala, Nyala, 155, Sudan
Pharm Educ Res Vol. 1, Issue No. 2, December 2010
13

Prebiotics, probiotics and synbiotics: an overview

*Bhupinder Singh Sekhon1 and Saloni Jairath2
1Institute of Pharmacy, 2Department of Biotechnology, PCTE Group of Institutes,
Near Baddowal Cantt. (Ludhiana) -142 021, India.
Received November 11, 2010; Accepted December 6, 2010

Preservatives substances that are added to products such as foods

Additieven zijn door de mens toegevoegde stoffen aan voeding. Deze stoffen kunnen de volgende functies vervullen:

  1. Tekorten in de voeding aanvullen
  2. Een extra component aanvullen.
  3. Geurstoffen.
  4. Kleurstoffen
  5. Smaakstoffen
  6. Conserveringsmiddelen.
Ad1. Tekorten in de voeding
Dit punt gaan we met een voorbeeld verduidelijken. Als door het productieproces een tekort aan calcium in de voeding is, wordt deze aangevuld met calciumcarbonaat. Op deze wijze wordt het calciumgehalte gewaarborgd. De vraag is of het toegevoegde calcium opgenomen wordt door het maag-darmstelsel? Een niet natuurlijke vorm van een stof heeft altijd meer moeite om opgenomen te worden, dan een natuurlijke stof.
Daarnaast kun je de juiste verhoudingen van de voedingsstoffen ontregelen. Zo wordt de opname capaciteit van het voer verminderd.

 

Ad2. Een extra component aanvullen
Vele stoffen worden extra toegevoegd. Zoals vitamine C. Hiervan wordt verwacht dat het de immuniteit helpt. Vitamine E om het spierstelsel te ondersteunen. Extra eiwitten voor honden in de groei en hyaluronzuur of chondroitinesulfaat om de gewrichten te ondersteunen. Een mooie gedachte. Echter worden de toegevoegde stoffen ook daadwerkelijk volgens verwachting door de darm opgenomen en komen ze terecht waar ze horen te werken?

 

Ad3., 4. en 5. Kleurstoffen en smaakstoffen
Geur-, kleur- en smaakstoffen worden zoals de woorden al zeggen toegevoegd om de geur, kleur en smaak te verbeteren. De kleur is leuk voor de consument en de geur en smaak zijn van belang om de hond en kat het voer te laten eten. Dit zijn alle stoffen die aangegeven worden met een E nummer. Zoals bijvoorbeeld E 145. Het zijn door de EG goedgekeurde hulpstoffen. Wij zijn van mening dat deze stoffen niet in voeding moeten zitten. Het blijven door de mens geproduceerde stoffen. Genetisch dus niet optimaal. De schadelijkheid van deze stoffen voor het lichaam is een punt van discussie.

 

Ad6. Conserveermiddelen
Conserveringsmiddelen zijn stoffen die de nutriënten in de voeding beschermen tegen omzettingen als denaturatie, hydrolyse en oxidatie. Deze chemische reacties vinden plaats onder invloed van warmte, zonlicht en stoffen in de lucht. Als deze omzettingen plaatsvinden wordt het voedsel minder bruikbaar voor de hond en de kat. Het kan zelfs giftige nutriënten gaan bevatten. Daarnaast kunnen schimmels, gisten en bacteriën hun invloed op de voeding gaan uitoefenen. Deze leiden ook tot giftige verschijnselen na opname van de voeding.
 Conserveringsmiddelen heb je in een door de mens gemaakte chemische vorm zoals BHA, BHT en Ethoxyquine. In een natuurlijke vorm zoals vitamine C en E. De chemische conserveringsmiddelen kunnen hun negatieve invloed hebben op het lichaam van de hond en de kat.

Poortader
Alle voedingsmiddelen worden in het gehele maag/darm stelsel opgenomen worden door één ader. De poortader. Deze voert alle stoffen naar de lever. Hier worden de opgenomen stoffen omgezet tot bruikbare stoffen. Afvalstoffen worden omgezet tot wateroplosbare stoffen die door de nieren worden uitgescheiden. Andere worden omgezet tot vetoplosbare stoffen die via de gal het lichaam verlaten. De vele toegevoegde ballaststoffen leveren de lever en nier dus extra werk. Een hoge oxidatieve belasting. Daarnaast kunnen lichte lever- en nierbeschadigingen ontstaan. De lever en nier hebben gelukkig een enorme reserve capaciteit, voordat er blijvende beschadigingen ontstaan. Urine onderzoek en/of nuchter bloedonderzoek kan verhoogde nier of leverwaarden detecteren en vooraf inzicht geven of een orgaan aan het degenereren is. Osteopatische blokkades zijn ook een methode om overbelastingen aan te tonen.

 

De additieven zien we dus liever niet in de voeding om organen zo optimaal mogelijk te laten werken.

 

Verkleuren van CarniVoer
Als je CarniVoer ontdooit dan verkleurt het onder invloed van zuurstof en licht. Dit betekend niet dat er slechte kwaliteit vlees gebruikt is of dat de voeding bedorven is. Het betekent dat er géén additieven zijn toegevoegd die de verkleuring tegen gaan en het vlees mooi rood houden. Geen conserveringsmiddelen dus maar puur natuur.

 

Hoe komt dat verkleuren?
Het is een oxidatieproces, een scheikundig proces . IJzer gaat onder invloed van water en zuurstof roesten (denk aan een roestige spijker) en vlees gaat als het ware “roesten” onder invloed van licht en zuurstof.
In de spiercel zit myoglobine. Dit is een eiwitstructuur die zuurstof kan binden. Van belang voor de processen in een spiercel. Als myoglobine zuurstof bindt wordt het mooi rood. We noemen het dan oxymyoglobine. Onder invloed van licht en warmte zal het ijzer (Fe) in het myoglobine oxideren. Het verliest een electron in de buitenste schil van het atoom. Daardoor is myoglobine niet meer in staat om zuurstof vast te houden en verandert het in metmyoglobine wat bruin gekleurd is.

Stel dat je al jaren één soort voeding voert en de overstap wilt maken naar een andere voeding. De reden dat je dit wilt doen kan zijn omdat je dier de voeding niet meer wil eten. Of omdat je dier diarree van de voeding krijgt. Of omdat de smaak niet meer voorradig kan zijn. Of je hond en kat eten de voeding niet meer. Zo zijn er uiteraard nog veel meer redenen te bedenken voor de overstap.

Los van het wel of niet meer willen eten, of het wel of niet verkrijgbaar zijn van de voeding, geven we in dit artikel informatie waar bijna niemand het over heeft.
Informatie die juist belangrijk is om een beter begrip te krijgen waarom afwisseling goed is voor de gezondheid van je dier. 

Laten we beginnen bij de basis. Net als wij mensen horen honden en katten een diversiteit aan voeding te eten. Het leven op één soort voeding gedurende een lange tijd zal door eenzijdigheid een gezondheidsrisico met zich meebrengen.

Altijd hetzelfde
Steeds de zelfde voeding leidt tot een tekort aan nutriënten en het gevaar dat het immuunsysteem zich tegen de voeding zal keren. Stel je voor dat je vanaf je kindertijd enkel kip en rijst gegeten hebt gekregen. Dus dag in dag uit voor ontbijt, lunch en avondeten en als tussendoortjes. Want dat is wat met vele honden en katten gebeurd.

Als jij dan plots op latere leeftijd uit eten gaat en je ziet geen kip en rijst op het menu staan en moet je wat anders kiezen. Je denkt : “ Blij dat je  eindelijk wat anders mag eten” en bestel je biefstuk, spinazie met bataatpuree en een lekkere saus. Enfin heb je heerlijk en gezond gegeten en ook eindelijk eens wat anders en ga je naar huis. Een paar uur later lig je in je bed en plots gaat je maag rommelen. Er ontstaat buikpijn en je gaat braken en krijgt diarree. Is er dan wat mis geweest met je diner?  Hoogst waarschijnlijk niet. Je maagdarm stelsel was gewoon niet gewend aan deze (goede) voeding.

Met dit voorbeeld willen we op een humoristische manier schetsen wat er gebeurt als je je hond en kat plots overzet op een andere voeding. De vraag is hoe dit kan.

Risico van complete voeding
Een complete voeding kan nooit over een langere termijn alle nutritionele behoeften van je hond en kat invullen. Complete voeding is dusdanig compleet dat veel nutriënten elkaar beconcurreren op receptoren. Dan ontstaat een situatie waarbij bepaalde nutriënten niet en andere wel opgenomen worden.

Zie het als een treinstation met een druk en overvol perron. De trein is het lichaam van je hond of kat en de mensen op het perron zijn de nutriënten uit de voeding. Iedereen probeert die trein in te komen. De sterkste en snelste personen kunnen in de trein komen, de zwakkere en minder snelle personen blijven achter op het perron. Maar onze maatschappij kan niet alleen draaien op sterke en snelle mensen. Juist de diversiteit met ieder zijn of haar kwaliteiten zorgt voor een gezonde en evenwichtige maatschappij.

Zo is het ook met complete voeding ongeacht dat nu brok, blik, diner of rauwe voeding is die met premixen compleet zijn gemaakt. 

Ja je leest het goed, als er op de verpakking complete voeding staat dan loopt je dier net zo goed een risico op voedingstekorten dan met een enkelvoudige voeding.

 

Hier kan je nog meer onderbouwing lezen

Nooit dezelfde behoefte 24/365
Het lichaam van honden en katten draait op ritmes in de natuur. Afhankelijk van het seizoen zijn de behoefte anders. Anders in calorieën en anders in nutriënten.
In de winter bewegen dieren vaak minder door het slechte weer. Dus verbranden ze minder calorieën. Maar voor een ander dier kan de winter betekenen kouder en juist meer verbranden aan  calorieën. Er is minder zon in de winter en daardoor minder vitamine D3. In de zomer is dit vaak andersom. 

Verder speelt ook mee of het jonge of oudere dieren zijn een drachtig of zogend dier. 

Voedselintolleranties
Wat ook mee kan spelen bij iedere dag dezelfde maaltijd is dat voedselintoleranties kunnen ontstaan. Als je dier elke dag hetzelfde eet komt het immuunsysteem van de darm elke keer met dezelfde eiwitten in contact. Dan bestaat de kans dat het immuunsysteem afweerstoffen ( IgA/IgM) gaat maken tegen deze voeding. Zo ontstaat een voedselintolerantie tegen de voeding met buik- en huidklachten tot gevolg.

Desensitisatie
Soms stoppen honden of katten met het eten van elke dag hetzelfde voedsel. Dat is niet omdat ze het niet meer lusten. Dat komt onder andere door desensitisatie. Stel je je favoriete voedsel eens voor. Dan zul je zeggen: “ Dat lust ik elke dag wel”. Stel je dan eens voor dat je dat als ontbijt, lunch en diner eet iedere dag weer. Je favoriete eten zal dan snel niet meer favoriet zijn. En dat kan ook bij je hond of kat gebeuren

Opbouw diversiteit microbioom
Dan nog een stukje over het microbioom. Dit is de gehele opbouw van het maagdarm slijmvlies. Dat houdt in de probiotica, de tight junctions, de beta defensies, de secretoire IgA’s. Hoe meer je je dier gevarieerd eten geeft hoe diverser het microbioom van je dier is. Hoe diverser het microbioom van je dier is, des te minder klachten je dier heeft van voedingswijzigingen.

Wat is beter complete voeding of enkelvoudige voeding?
Met de bovenstaande onderbouwde uitleg kan je niet anders dan de conclusie trekken dat het afwisselen van diverse soorten enkelvoudige voedingen beter voor honden en katten is dan dagelijks een complete voeding te geven. Ongeacht rauwe of verhitte commerciële voedingen.

Zeer belangrijk is dat er afgewisseld wordt bij enkelvoudige voedingen. Als je dat niet kan of wilt doen dan is het dagelijks geven van een complete voeding wel een betere optie. Niet de beste keuze maar wel de minst slechtste keuze. Supplementeren is zeker nodig bij alle voedingen gezien we nu eenmaal in een niet duurzame wereld leven.

Complete voeding is een sterk marketing technisch verkoopargument. Het speelt in op sterke emoties zoals angst en het goed willen doen voor je huisdier.
Compleet geeft een veilig gevoel en verkoopt snel. Wat compleet werkelijk inhoud met alle consequenties vertelt men je niet. Behalve dat het veel meer tijd kost zal vaak ook de verdiepende kennis ontbreken. Meestal is het onschuldige onwetendheid dat men compleet verkoopt en koopt.

CarniVoer geeft eerlijke en verdiepende kennis zodat iedere eigenaar zelf een keuze kan maken. Met de daarbij behorende consequenties die het kan geven. 

Overstap andere voeding
Regelmatig wordt aan ons gevraagd hoe het beste overgestapt kan worden van de ene voeding naar de andere voeding. Het punt van aandacht ligt in het feit dat je wilt overstappen naar een andere voeding zonder dat je het darmstelsel van je dier van slag raakt met buikpijn en alle gevolgen van dien.

We moeten eerst een onderscheid maken tussen wat voor overstap. 

  1. Is het een overstap van de ene voedingssoort naar een andere? Zoals van brok naar rauw.
  2. Is het een overstap van het ene merk naar het andere merk? Van rauw naar CarniVoer rauwe voeding.
  3. Is het een overstap binnen de range van CarniVoer? Zoals afwisselen van de diverse CarniVoer mixen

Voor situatie 1 hebben wij een apart advies geschreven voor de hond en kat

Voor situatie 2 is dit ons advies:
De overstap kan gemiddeld in negen dagen geregeld zijn.

  • Drie dagen 75% oude voeding en 25% nieuwe voeding
  • Drie dagen 50% oude voeding en 50% nieuwe voeding
  • Drie dagen 25% oude voeding en 75% nieuwe voeding

Voor situatie 3 is ons advies: DOEN! 

Niets is zo gezond voor je hond of kat om afwisselend de verschillende mixen van CarniVoer te gaan geven. Dat hoeft niet per dag, maar mag natuurlijk wel. Je kan de afwisseling ook in periodes doen. Als je er voor zorgt dat je hond of kat minimaal 1x in de maand een andere mix van CarniVoer te eten krijgt dan ben je al goed bezig.
Uiteraard zullen de meeste honden en katten vaker afwisselen in mixen, dus in smaken, waarderen. Altijd leuk om te ontdekken wat de lievelingsmix is van je hond of kat 😃

Samengevat
We zien in de dierenkliniek de beste resultaten met de overstap adviezen die we hier geven op deze site.
Dat wil niet zeggen dat het “cold turkey” overgaan van de ene voeding op de andere voeding niet goed kan gaan. We zien gelukkig ook vaak dat dat prima gaat.
Wissel af met de verschillende mixen die CarniVoer in het assortiment heeft.
Het kan verstandig zijn om bij de hond naast de rauwe voeding regelmatig verschillende groenten of wat fruit te geven. Dit is goed voor het microbioom.
De groenten blancheren of te pureren in een blender om de nutriënten beter beschikbaar te krijgen voor je hond.
Fruit adviseren wij niet om te blancheren. Pureren is hier een goed idee om de nutriënten uit de celwand beschikbaar te krijgen.

Niet alle groenten en fruitsoorten zijn even geschikt om te geven.
Hier een lijst met wat je wel en liever niet kan geven. DIT-MOGEN-HONDEN-EN-KATTEN-WÉL-ETEN

Zijn kruiden noodzakelijk voor je kat en hond?

Van de kat wordt gezegd dat het een obligate carnivoor is. Dus enkel op vlees leeft. Dat is deels juist. Als je ziet wat haar in het wild levende familie eet, zijn dat ook gevulde darmen van de gevangen prooidieren. In deze darmen zit veel plantaardig materiaal.

Honden hebben meer een omnivore leefstijl. Dat wil zeggen dat zij niet alleen vers gevangen prooidieren eten maar ook kruiden, besjes etc.

Prooidieren zijn over het algemeen herbivoren (planteneters) In de darmen van herbivoren zit veel plantaardig materiaal. De in het wild levende honden, wolven en katachtigen eten dus planten op een indirecte wijze doordat ze een deel van de darm mét darminhoud van hun prooi opeten. . 

Beiden diersoorten eten deels plantaardig materiaal, al dan niet bewust. 

CarniVoer heeft als doel de gezondheid van je hond en kat te verbeteren dan wel te behouden. Als aanvulling voor dit doel hebben de dierenartsen bij CarniVoer een kruidenlijn ontwikkeld. Deze kruidenlijn is bedoeld als aanvulling op de voeding van je hond en kat. De kruiden kunnen door elke voeding gedaan worden. Ook door andere dan de rauwe- en gestoomde voeding van CarniVoer.

Kruiden bevatten stoffen. Stoffen die bestaan uit  onder andere essentiële oliën, riboflavonoïden, organische zuren, pectine, vitaminen, mineralen, looistoffen en bitterstoffen. Dieren en planten hebben een co-evolutie op aarde. Dat wil zeggen ze samen zijn geëvolueerd en hebben altijd wederzijds met elkaar te maken gehad en contact gehad. Je kunt zeggen dat ze op elkaar zijn afgestemd. De stoffen van planten en kruiden zijn altijd ingeademd en gegeten. Deze stoffen zijn in alle delen van de dieren terecht gekomen en hebben zo een invloed gehad op dieren. Ook op ons mensen.

De invloed die ze op honden en katten hebben varieert van:

  • Kalmerende effecten
  • Antibacteriële effecten
  • Anti schimmel effecten
  • Anti virale effecten
  • Pijnstillende effecten
  • Wond genezende effecten
  • Diuretische effecten (plasmiddel)
  • Ondersteuning van het microbioom in de darm

Kruiden hebben nog meer positieve effecten dan hier opgesomd.  CarniVoer breidt deze kruiden lijn nog verder uit. De kruiden door de voeding van je hond en kat  mengen, geeft de juiste informatie aan de lichaamscellen om gezondheid te behouden. CarnIvoer mengt deze kruiden niet door de rauwe en gestoomde voeding gezien het invriesproces en het ontdooien de werking van de kruiden kan beschadigen. De los verkrijgbare kruiden bieden je de mogelijkheid om een individueel bepaalde voeding voor je hond en kat te maken.

Je kunt je zorgen maken wanneer je rauwe voeding voor je kat en hond overweegt. Hoe zit het met botten, parasieten en de juiste voedingsstoffen? En hoe zit het met ziekteverwekkers zoals salmonella? 

Via het voedingscentrum worden we gewaarschuwd om vlees niet rauw te eten en bepaalde vleessoorten goed gaar te bakken, zoals kippenvlees. Om contact tussen rauw vlees en andere voedingsproducten te voorkomen.

En dan heb je ook nog dierenartsen die zeggen dat het gevaarlijk is. Dat ze honden hebben moeten opereren omdat ze botten hadden gegeten. Mijn dierenarts zegt dat rauwe voeding niet veilig is

Het idee om je hond en kat rauwe vleesvoeding te voeren kan op het eerste gezicht eng lijken. Is rauwe voeding niet gevaarlijk? Helemaal niet. Mensen over de hele wereld voeren hun hond en kat rauwe voeding. 

Het risico van ziekteverwekkers en parasieten is minimaal als je veilige procedures volgt en verstandig omgaat met het vlees. Het is hetzelfde als je zou doen met voedingsmiddelen die voor je eigen consumptie bestemd zijn. 

Botten
Honden en katten die in het  wild een op prooien gebaseerd dieet eten, eten routinematig rauw bot. Het is een essentieel onderdeel van een natuurlijk dieet. Als obligate carnivoren zijn katten zelfs extra gebouwd (geëvolueerd) om hun prooi rauw op te eten. Hun spijsverteringssysteem is gespecialiseerd in het verkrijgen van maximale voeding uit bio-geschikte voeding (rauwe voeding dus).

Ons advies is niet, direct na dit gelezen te hebben, om honden en katten gelijk rauwe botten te gaan geven.
Om veilig rauwe botten aan je hond of kat te geven moet je meer kennis hebben waar je rekening mee moet houden. 

Enkele tips zijn: 

  • geef nooit botten die verhit zijn geweest! Zie ook de voordelen van Carinivoer voor je hond en kat 
  • Geef geen dragende botten van grotere dieren. 
  • Laat bot nooit het grootste deel van de voeding uitmaken. 
  • Stem de keuze van het bot af op de grote van je dier. 
  • Kraakbeen is geen bot en daarom geen goede calcium bron. Dus strotten ook niet. 

Het voeren van CarniVoer aan je dieren is veilig EN levert botten in de juiste verhouding in een gemalen vorm aan.

Salmonella
Zorgen over salmonella en E. coli zijn meestal de eerste zorg. Zij zijn over het algemeen het resultaat van onjuiste slachtmethoden of onjuist opgefokte dieren. Geen van deze ziekteverwekkers mag zich ooit in vlees voor mens of dier bevinden. In Nederland en Duitsland wordt hier streng op gekeurd tijdens de slacht. CarniVoer gebruikt enkel slachtdieren uit Nederland en Duitsland.

De meeste mensen zijn van nature voorzichtig met rauw vlees. Salmonellabesmetting treedt op bij niet gekookte besmette producten. Het volgen van veilige hanteringsprocedures en het gebruik van alleen vers vlees uit bekende bronnen minimaliseert het risico. Onder hygiene en rauwe voeding krijg je tips van ons

Salmonellabesmetting in vlees zit meestal aan de buitenkant van het vlees, Carnivoer rauwe voeding, wordt direct na het malen zeer snel en diep ingevroren om bacteriële proliferatie te voorkomen.

Je hond en kat hebben een zeer zuur spijsverteringssysteem. Deze zuurtegraad doodt vele ziekteverwekkers. Ze hebben ook een kort spijsverteringskanaal dat bacteriën weinig tijd geeft om zich te vermenigvuldigen in hun systemen. Voeding gaat er in ongeveer 13 uur doorheen. Bij ons mensen duurt dat twee tot drie keer zolang.
Het spijsverteringsstelsel bij de hond en kat zorgt er ook voor dat “verkeerd vallende” voeding er snel weer uitgaat door middel van braken of diarree. Als bij ons mensen iets verkeerd valt dan kunnen wij er dagen ziek van zijn.
Houd er rekening mee dat dit van toepassing is op een gezonde hond en kat; bij een zieke hond of kat kan de weerstand sterk afnemen en is het raadzaam om naar een dierenarts te gaan. 

E. Coli zit in de darmen van dieren en kan het vlees besmetten als het niet op de juiste manier wordt geslacht. Grasvee heeft een veel lagere incidentie (het aantal nieuwe gevallen per duizend dieren per jaar) van E. coli in hun darmen. Hoewel besmetting van vleesproducten met E.coli zeldzaam is, moet er toch voor worden gezorgd dat het vlees afkomstig is van gerenommeerde leveranciers.

Toxoplasmose
Toxoplasmose wordt veroorzaakt door een eencellige parasiet. Het is een van de meest voorkomende parasitaire ziekten. Uit een in maart 2009 gepubliceerde studie van de Universiteit van Leeds blijkt echter dat de toxoplasmose-parasiet een rol kan spelen bij de ontwikkeling van schizofrenie en andere bipolaire stoornissen bij de mens door de productie van dopamine in de hersenen te beïnvloeden. Katten zijn de enige soort die de eierproducerende fase van het organisme huisvest. Ongeacht wat de kat aan voeding krijgt. Rauwe of verhitte voeding maakt geen verschil. 

Aangezien elke besmette kat de eieren van de parasiet slechts enkele dagen in zijn hele leven zou afwerpen, is de kans op infectie door een kat klein. Mensen lopen meer kans om besmet te raken door het eten van ongewassen fruit en groenten of rauw vleesproducten zoals filet american etc. dan door het hanteren van katten uitwerpselen. De eieren moeten namelijk worden ingenomen om een infectie te veroorzaken. De kans op toxoplasmose besmetting is even groot, of even klein, bij rauw gevoerde katten als niet rauw gevoerde katten.
Goed je handen, fruit en groenten wassen voordat je wat in je mond stopt is de beste preventie.

Het invriezen van vlees gedurende 72 uur bij -4°F (-20°C) doodt toxoplasmose-eieren.⁴
Houd er rekening mee dat eieren die in de uitwerpselen van katten worden afgeworpen, niet onmiddellijk besmettelijk zijn. Ze moeten een proces doorlopen dat sporulatie wordt genoemd en dat één tot vijf dagen in beslag neemt, afhankelijk van de omgeving. Dit is een goede reden om de kattenbak regelmatig schoon te maken.

Als je van plan bent om zwanger te worden, laat dan een test doen om te zien of je bent blootgesteld aan toxoplasmose. Als je niet bent blootgesteld, draag dan handschoenen bij het schoonmaken van de kattenbak, of beter nog, laat het door iemand anders doen. Vermijd het eten van rauw vlees tijdens de zwangerschap en het in contact komen met grond tijdens het buitenshuis tuinieren. Geef je je huisdier rauwe voeding laat dat voor de zekerheid door iemand anders doen. Is dat niet mogelijk? Leef dan de hygiene regels extra goed na hygiene en rauwe voeding krijg je tips van ons

Je hoeft niet je kat de deur uit te doen, net zo min dat je moet stoppen met het voeren van rauwe voeding aan je hond of kat.
Praat zoals altijd eerst met je arts om je gezondheid te beschermen.

Botten
In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, is rauw bot zeer goed verteerbaar en levert het calcium, mineralen en enzymen. Het merg is rijk aan voedingsstoffen. Alleen gekookt bot is gevaarlijk. Koken maakt bot scherp, broos en bijna onmogelijk te verteren. Honden en katten die jagen eten botten van hun prooi; botten zijn hun primaire bron van calcium. Het voeren van kleine, rauwe vlezige botten is een natuurlijke manier om je hond en kat te voorzien van calcium en je hond en kat wat kauw oefeningen te geven voor gezonde kaken en schonere tanden.
Lees meer over calcium via calcium fosfor metabolisme bij de hond en kat in relatie tot voeding

CarniVoer adviseert voeren van botwerk enkel bij eigenaren die ervaren zijn in het voeren van botten met vlees. Ben je (nog) niet ervaren geef dan enkel CarniVoer. Dit bevat alles en is een veilige voedingswijze. 

Nutriënten
Honden en katten eten hun voedsel al duizenden jaren rauw. Pas recentelijk dacht de mens dat hij het beter kon doen met een sterk bewerkte, verhitte en verpakte voeding. CarniVoer bootst een dieet na dat de je hond en kat zou eten als ze op haar eigen voedsel aan het jagen was. Het spijsverteringsstelsel van honden en katten is gespecialiseerd in het omgaan met rauw voedsel dat veel eiwitten en vocht bevat en weinig of geen koolhydraten.

Als je hond en kat prooidieren zouden eten, zouden ze alle voedingsstoffen (voor de kat) en bijna alle voedingsstoffen (voor de hond), die ze nodig hebben rechtstreeks uit hun voeding halen. Dit soort dieet is niet praktisch voor je hond en kat binnenshuis. CarniVoer bestaat uit gemalen botten, spiervlees en organen van dieren. Samen met het Fyto Supplementen assortiment en de adviezen op deze site voer je je dier gevarieerd en krijgen ze alles wat ze nodig hebben in een periode van meerdere weken.

Lees onze kenniscentrum-bibliotheek voeding en gezondheid goed door om je goed te informeren over de juiste manier van voeren van je hond en kat.